Een huurachterstand van ruim 8.000 euro is in beginsel ernstig genoeg om een huurovereenkomst te ontbinden. Toch weigert de kantonrechter in Amsterdam een gezin met twee minderjarige kinderen uit de woning te laten zetten. Het belang van de kinderen bij adequate huisvesting geeft daarbij de doorslag: zonder beschikbare alternatieve huisvesting bestaat volgens de rechter een reëel risico dat zij op straat belanden.

De huurder woont sinds 2018 met zijn vrouw en twee kinderen van 12 en 7 jaar in de woning. Ondanks aanmaningen en betalingsregelingen was tot en met juni 2026 een huurachterstand van € 8.208,58 ontstaan. De huurder erkende de schuld en verklaarde dat zijn financiële problemen onder meer samenhingen met tegenvallende bedrijfsinkomsten, belastingschulden en andere privéschulden. De verhuurder vorderde daarom betaling van de achterstand, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning.
De kantonrechter stelt vast dat de omvang en duur van de huurachterstand een zodanig ernstige tekortkoming vormen dat ontbinding en ontruiming in beginsel gerechtvaardigd zijn. Bij een ingrijpende maatregel als een huisuitzetting moet de rechter echter alle betrokken belangen tegen elkaar afwegen. Daarbij speelt artikel 3, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) een belangrijke rol: het belang van het kind moet een eerste overweging vormen.
In deze zaak is niet gebleken dat alternatieve huisvesting of passende hulp beschikbaar is. Een ontruiming brengt daardoor volgens de kantonrechter het reële gevaar mee dat de twee kinderen op straat komen te staan. Hun belang bij adequate huisvesting weegt op dit moment zwaarder dan het belang van de verhuurder bij beëindiging van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning.
Daarbij is van belang dat de vader tijdens de zitting heeft toegezegd zijn bedrijf te liquideren en zich onder bewind te laten stellen. De rechter gaat ervan uit dat hij die toezegging nakomt. Onderbewindstelling kan volgens de kantonrechter naar alle waarschijnlijkheid bijdragen aan een structurele oplossing voor zowel de bestaande huurachterstand als de betaling van de lopende huur. Daarmee kunnen uiteindelijk zowel de belangen van de kinderen als die van de verhuurder worden beschermd.
De kantonrechter wijst de ontbinding en ontruiming daarom op dit moment af. Dat betekent niet dat de huurder van zijn betalingsverplichtingen wordt ontslagen: hij moet de volledige huurachterstand van € 8.208,58 betalen.
De uitspraak onderstreept dat bij een dreigende huisuitzetting niet uitsluitend naar de omvang van een huurachterstand kan worden gekeken. Wanneer minderjarige kinderen worden geraakt, moet hun belang op grond van artikel 3 IVRK nadrukkelijk in de belangenafweging worden betrokken. In deze zaak is vooral het ontbreken van alternatieve huisvesting, gecombineerd met het perspectief op een structurele oplossing voor de schulden, reden om een ontruiming vooralsnog tegen te houden.
Deze jurisprudentie-samenvatting is gemaakt met behulp van AI.