De rechtbank Rotterdam heeft zich hierover op 8 september 2026 recent (ECLI:NL:RBROT:2026:11739) uitgelaten. Het ging hier om negen personen in een vierkamerwoning. Een hoogzwangere vrouw die daar met haar partner en minderjarige dochter bij haar ouders woont en na de geboorte met haar partner, dochter en baby één slaapkamer moet delen.

Het is duidelijk dat de woonsituatie problematisch is, en de vraag die voorligt is of de Wmo een rol kan spelen in vervangende opvang. Het college van burgemeester en wethouders wijst de aanvraag af. Volgens het college kan betrokkene zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, handhaven in de samenleving. Zij behoort daarom niet tot de doelgroep voor maatschappelijke opvang. In afwachting van de beslissing op bezwaar vraagt zij de voorzieningenrechter om haar en haar gezin alsnog tot de opvang toe te laten.
De voorzieningenrechter stelt het criterium voor maatschappelijke opvang centraal. Uit de Wmo 2015 volgt dat het bij opvang gaat om personen die de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp vanuit hun sociale netwerk in de samenleving te handhaven. Kortom, het enkele ontbreken van passende woonruimte is dus niet voldoende. Beslissend is waarom iemand niet zelf in onderdak kan voorzien. Is dat het gevolg van problemen bij het zich handhaven in de samenleving, dan kan maatschappelijke opvang in beeld komen. Is het probleem in wezen dat iemand door de situatie op de woningmarkt geen geschikte woning kan vinden, terwijl diegene verder zelfredzaam is, dan ligt dat anders.
Volgens de voorzieningenrechter behoort betrokkene tot die laatste categorie. Zij heeft in Nederland een mbo-opleiding gevolgd en volgt opnieuw een opleiding. Voor haar zwangerschap werkte zij 36 uur per week. Zij ontvangt inmiddels een UWV-uitkering, heeft geen schulden en heeft een steunend sociaal netwerk. Ook zijn er geen psychische klachten of verslavingsproblemen. Voor haar lichamelijke klachten tijdens de zwangerschap weet zij bovendien zelf passende zorg te vinden, onder meer bij een fysiotherapeut en verloskundige. De stelling dat zij eerder zelfstandig heeft gewoond maar daarmee is gestopt omdat zij het zelfstandig niet redde, vindt de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd. Daarmee sluit de uitspraak nauw aan bij de inmiddels vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep.
De CRvB heeft daarbij expliciet onderkend dat dit onderscheid in tijden van woningnood hard kan uitpakken. In zijn uitspraak van 18 oktober 2023 (CRvB 18 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1931) wees de Raad op de ernst van het tekort aan betaalbare woonruimte. Toch zag hij daarin geen reden het criterium voor maatschappelijke opvang ruimer uit te leggen. De Wmo 2015 is niet bedoeld om het tekort aan betaalbare woningen op te lossen. Volgens de Raad ligt het primair op de weg van de centrale overheid, in samenwerking met andere overheden en instanties, om voor die problematiek een oplossing te vinden. Die lijn heeft de Raad nadien voortgezet. Ook in 2024 (CRvB 4 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1361) en opnieuw in 2026 (CRvB 4 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:339) bleef het uitgangspunt dat een zelfredzame woningzoekende niet via de maatschappelijke opvang alsnog toegang tot onderdak krijgt uitsluitend omdat reguliere huisvesting feitelijk niet beschikbaar is.
Het begrip zelfredzaamheid krijgt bij maatschappelijke opvang een specifieke betekenis. Iemand kan immers feitelijk niet in staat zijn een woning voor zichzelf te regelen – eenvoudigweg omdat betaalbare woningen ontbreken – en juridisch toch als zelfredzaam worden aangemerkt. Zelfredzaamheid betekent in dit verband dus niet dat iemand daadwerkelijk zelfstandig passende woonruimte kan verkrijgen. Het gaat erom of het ontbreken van onderdak wordt veroorzaakt door persoonlijke problemen bij het functioneren in de samenleving.
De rechter erkent die spanning in deze zaak ook. De situatie waarin negen personen in een vierkamerwoning verblijven, wordt uitdrukkelijk als onwenselijk aangemerkt. Daarbij wordt ook nadrukkelijk de belangen van de minderjarige betrokken.
Het college had namelijk een kindintake verricht. Daaruit bleek dat de dochter van betrokkene zich goed ontwikkelt, naar school en zwemles gaat, verzorgd is en dat haar ouders betrokken zijn bij de opvoeding. Hoewel een eigen woning ontbreekt, wordt de bestaande situatie daarom als veilig en stabiel beoordeeld. Ook dit past in recente rechtspraak van de Centrale Raad. In 2025 (CRvB 27 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1797) oordeelde de Raad in een andere zaak over een moeder met een minderjarige zoon dat het belang van het kind niet zonder meer meebrengt dat maatschappelijke opvang moet worden verstrekt. In die zaak zag de Raad geen strijd met artikel 3 IVRK.
De boodschap uit deze uitspraak is daarom tweeledig. Voor gemeenten blijft zelfredzaamheid het centrale criterium bij de toegang tot maatschappelijke opvang. Voor de bredere overheid is het tegelijkertijd een signaal dat de Wmo de gevolgen van structurele woningnood niet kan en volgens de rechter ook niet behoort op te vangen maar dat leidt soms tot schrijnende en bovenal onwenselijke situaties zoals uit deze uitspraak blijkt.