De minister van Asiel en Migratie wees op 10 juli 2026 de aanvraag van een asielzoeker voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd af. De rechtbank Den Haag verklaarde zijn beroep tegen dat besluit op 16 september ongegrond. De asielzoeker stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en vroeg tegelijkertijd om een voorlopige voorziening, omdat zijn uitzetting al voor 22 september stond gepland.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het hoger beroep nader onderzoek vereist en dat de procedure over de voorlopige voorziening zich daar niet goed voor leent. Daarbij speelt ook mee dat de termijn voor het instellen van hoger beroep op het moment van de uitspraak nog niet was verstreken. De Raad van State spreekt zich in deze uitspraak dan ook niet inhoudelijk uit over de vraag of de afwijzing van de asielaanvraag terecht was.
In afwachting van dat inhoudelijke oordeel treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening. De minister mag de asielzoeker niet uitzetten totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist. Daarnaast moet de minister € 934 aan proceskosten vergoeden.