Menu

Zoek op
rubriek
Zorg&Sociaalweb
0

ECLI:NL:CRVB:2021:3105

14 december 2021

Jurisprudentie – Uitspraken

Uitspraak

21/3252 JW-VV , 21/3253 JW-VV, 21/3254 JW-VV, 21/3324 JW-VV, 21/3325 JW-VV, 21/3326 JW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoeker 1] te [woonplaats] (verzoeker 1)

[verzoeker 2] te [woonplaats] (verzoeker 2)

het college van burgemeester en wethouders van Veendam (college)

Datum uitspraak: 9 december 2021

PROCESVERLOOP

Namens verzoekers heeft hun moeder en wettelijk vertegenwoordiger [naam moeder] hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 29 juli 2021, 18/428 en 18/432 (aangevallen uitspraak 1), 18/1161 en 18/1163 (aangevallen uitspraak 2), 18/3934 en 18/3935 (aangevallen uitspraak 3), 18/4012 en 18/4013 (aangevallen uitspraak 4), 19/1265 en 19/1266 (aangevallen uitspraak 5), 19/3907 en 19/3908 (aangevallen uitspraak 6) en een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2021. Namens verzoekers is [naam moeder] verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Keuning. Verzoekers hebben hun verzoek om een voorlopige voorziening betreffende de aangevallen uitspraken 1, 2 en 3 ter zitting ingetrokken.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoekers, geboren in 2004 ( [naam 1] ) en 2006 ( [naam 2] ), zijn beiden hoogbegaafd en bekend met een Autisme Spectrum Stoornis. [naam 1] heeft daarnaast een posttraumatische stressstoornis. In het verleden heeft Bureau Jeugdzorg aan beide verzoekers in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een indicatie toegekend. Verzoekers zijn voor de schooljaren 2014/2015 tot en met 2018/2019 vrijgesteld van inschrijving op een school/instelling.

1.2.

Het college heeft vanaf 2015 aan (de ouders van) verzoekers op grond van de Jeugdwet individuele voorzieningen verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).

1.3.

De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft een aantal malen bepaald dat het college voor latere jaren een pgb verstrekt. Het college heeft pgb’s verstrekt tot (uiteindelijk) 31 augustus 2021.

1.4.

De aangevallen uitspraken 4, 5 en 6 hebben betrekking op diverse beslissingen van het college over de verstrekking van pgb’s tot en met 31 augustus 2021.

2.1.

Verzoekers hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. In hun verzoek om voorlopige voorziening hebben verzoekers aangevoerd het niet eens te zijn met de mededeling van het college in de brief van 6 augustus 2021 dat verzoekers voor de afhandeling van hun nieuwe aanvragen om jeugdhulp van 17 juni 2021 rekening moeten houden met een termijn van vier maanden. Verder vrezen verzoekers dat het college extra voorwaarden zal stellen aan de vanaf 1 september 2021 mogelijk te verstrekken jeugdhulp. Verzoekers kunnen zonder het pgb de noodzakelijke zorg en begeleiding niet inkopen en hebben onvoldoende draagkracht om hierin op eigen kracht te voorzien zolang de procedure loopt.

2.2.

Verzoekers hebben een brief overgelegd van het college van 7 oktober 2021, verzonden op 11 oktober 2021. Het college heeft in deze brief het voornemen uitgesproken de op basis van het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voor de periode 1 januari 2019 tot 1 september 2019 verstrekte pgb’s van € 15.346,33 terug te vorderen en hen in de gelegenheid gesteld daarop een zienswijze in te dienen.

2.3.

Het college heeft ter zitting van 14 oktober 2021 verklaard het voorgenomen besluit tot terugvordering te laten rusten totdat de Raad in de bodemprocedures heeft beslist. Voorts heeft het college toegezegd binnen drie weken een besluit te nemen op de aanvraag van verzoekers van 17 juni 2021.

3. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Ingevolge artikel 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2.

Uit de functie van artikel 8:81 van de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Niet alleen is voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening nodig dat tegen een besluit beroep is ingesteld bij de bestuursrechter (formele connexiteit), wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken moet ook betrekking hebben op de inhoud van dat besluit (materiële connexiteit). Aan het vereiste van formele connexiteit is voldaan, ook al hebben verzoekers tot op heden uitsluitend een pro forma hoger beroepschrift ingediend.

3.3.

Het verzoek strekt er uiteindelijk toe dat aan verzoekers op hun lopende aanvraag op dit moment – december 2021 – een pgb ter beschikking wordt gesteld. De lopende hogere beroepen hebben betrekking op jeugdhulp en daarvoor te verstrekken pgb’s voor eerdere periodes. Dit betekent dat niet is voldaan aan het materiële connexiteitsvereiste zodat het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

3.4.

Ten overvloede herinnert de voorzieningenrechter het college aan de afspraak ter zitting om binnen drie weken na 14 oktober 2021 een besluit te nemen op de lopende aanvraag voor jeugdhulp van 17 juni 2021.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet‑ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma in tegenwoordigheid van A.L.K. Dagmar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2021.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) A.L.K. Dagmar

Artikel delen