Menu

Zoek op
rubriek
Zorg&Sociaalweb
0

ECLI:NL:CRVB:2021:410

26 februari 2021

Jurisprudentie – Uitspraken

Uitspraak

18/4023 JW, 18/4025 JW

Datum uitspraak: 3 februari 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 13 juni 2018, 17/1860 en 17/4092 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Medemblik (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Imkamp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en gereageerd op het verzoek van de Raad om informatie.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2020. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn moeder [naam moeder appellant], bijgestaan door mr. Imkamp. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.D. Peeters en K. van Waarden-van Rijn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren in 2004, is bekend met een autistische stoornis. Bureau Jeugdzorg heeft appellant geïndiceerd voor de functie begeleiding groep, klasse 1, en begeleiding individueel, klasse 3 (4-6,9 uur per week), voor de periode van 21 mei 2014 tot en met 29 juni 2016, in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Appellant kocht hiermee zorg bij zijn moeder in. Deze zorg werd op grond van het overgangsrecht en vervolgens gemeentelijk beleid door het college gecontinueerd tot 1 mei 2016.

1.2.

Het college heeft bij besluit van 23 mei 2016 aan appellant op grond van de Jeugdwet jeugdhulp toegekend, bestaande uit begeleiding individueel voor 10 uur per week voor de periode van 1 mei 2016 tot en met 30 april 2017, in de vorm van een pgb.

1.3.

Het college heeft bij besluit van 2 maart 2017 (bestreden besluit 1) het door appellant tegen het besluit van 23 mei 2016 gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor wat betreft de omvang van de verleende jeugdhulp en aan appellant 10,5 uur per week begeleiding individueel toegekend. Appellant heeft de benodigde informatie niet verstrekt. In het belang van appellant heeft het college, ondanks het ontbreken van deze informatie, een indicatie afgegeven. Op basis van een bij e-mail van 10 april 2016 overgelegd zorgmomentenoverzicht van twee schooldagen heeft het college een inschatting gemaakt van de benodigde begeleiding individueel voor appellant.

1.4.

Naar aanleiding van een nieuwe aanvraag van 10 maart 2017 en een e-mail van 25 maart 2017 waarin moeder voor twee schooldagen een beschrijving heeft gegeven van de zorgmomenten heeft het college bij besluit van 18 april 2017 de met bestreden besluit 1 toegekende jeugdhulp verlengd van 1 mei 2017 tot en met 31 juli 2017. Het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 15 augustus 2017 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat het college hem wel steeds heeft gevraagd de zorgmomentenoverzichten aan te passen, maar daarbij niet heeft geconcretiseerd wat van hem werd verwacht. De door appellant overgelegde informatie was voor het college voldoende concreet om inzage te krijgen in de individuele begeleiding die de moeder van appellant hem verleent. Daarmee heeft hij voldaan aan zijn verplichtingen in kader van artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.2.

Het college heeft in verweer aangevoerd dat er in voldoende mate is geconcretiseerd welke informatie van appellant werd verlangd. Het college heeft daartoe verwezen naar verschillende e-mailberichten. Ondanks de concrete verzoeken en het verstrekte format is de benodigde informatie, niet verstrekt. Hierdoor is niet voldaan aan de verplichtingen in het kader van artikel 4:2, tweede lid, van de Awb. Ter zitting heeft het college nader verduidelijkt dat appellant niet wordt tegengeworpen dat hij niet heeft voldaan aan zijn medewerkingsverplichting.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil tussen partijen heeft zich toegespitst op de vraag of appellant met de door hem verstrekte informatie heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting het college te voorzien van voldoende concrete en gedetailleerde informatie die nodig is om de aanvraag te kunnen beoordelen.

4.2.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het op de weg van appellant lag om het meermalen door het college verzochte gedetailleerde overzicht van activiteiten en zorghandelingen aan het college toe te sturen. Uit de gedingstukken blijkt dat het college appellant diverse malen, bijvoorbeeld bij e-mailberichten van 21 december 2015, 22 en 24 februari 2016, heeft verzocht om een specificatie van de zorgactiviteiten en de daaraan bestede tijd per zorgactiviteit. Ook heeft het college appellant tweemaal formulieren gestuurd en verzocht deze ingevuld terug te sturen. De rechtbank heeft verder terecht geoordeeld dat het appellant, zeker na toezending op 8 april 2016 van het format Zorgmomentenoverzicht van PerSaldo en de daarbij horende toelichting, duidelijk kon en moest zijn hoe hij de activiteiten en de daarmee gemoeid zijnde handelingen en tijd diende op te geven. De door moeder overgelegde overzichten, waaronder die in haar e-mailberichten van 10 april 2016 en 25 maart 2017, voldoen daar niet aan. De onder 4.1 gestelde vraag moet daarom ontkennend worden beantwoord.

4.3.

Mede aan de hand van de door appellant verstrekte onvoldoende gespecificeerde informatie en de gegevens waarover het college wel beschikte, heeft het college in het belang van appellant de omvang van de benodigde jeugdhulp bepaald op 10,5 uur per week. Appellant heeft in hoger beroep geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat die omvang onjuist is.

4.4.

Wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en H. Benek en D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van F.E.M. Boon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2021.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) F.E.M. Boon

Artikel delen