Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:GHAMS:2024:3723

Douanerecht; verzoek terugbetaling en verzoek wijziging aangifteregels; toepassing preferentieel tarief; art. 64, lid 2, DWU; art. 173, lid 3, van het DWU; art. 120 DWU

Gerechtshof Amsterdam 28 May 2025

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHAMS:2024:3723 text/xml public 2025-05-28T18:00:12 2025-05-23 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2024-12-17 23/617 tot en met 23/627 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:3723 text/html public 2025-05-23T11:50:34 2025-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2024:3723 Gerechtshof Amsterdam , 17-12-2024 / 23/617 tot en met 23/627
Douanerecht; verzoek terugbetaling en verzoek wijziging aangifteregels; toepassing preferentieel tarief; art. 64, lid 2, DWU; art. 173, lid 3, van het DWU; art. 120 DWU
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerken 23/617 tot en met 23/627

17 december 2024

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op het hoger beroep van

[X] B.V., gevestigd te [Z], belanghebbende,

(gemachtigde: mr. ing. B.J.B. Boersma RB)

tegen de uitspraak van 9 mei 2023 in de zaak met kenmerken HAA 21/1496 tot en met HAA 21/1506 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Douane, de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding 1.1.1.
De inspecteur heeft het verzoek van belanghebbende om terugbetaling van

douanerechten ten bedrage van in totaal € 557.850,02 deels toegewezen (voor een bedrag van € 245.265,84) en deels afgewezen (voor een bedrag van € 312.584,18). De douanerechten waren geheven met elf uitnodigingen tot betaling overeenkomstig evenzoveel maandaangiften van belanghebbende.
1.1.2.
De inspecteur heeft daarnaast het verzoek van belanghebbende om de betreffende

maandaangiften te wijzigen met toepassing van artikel 173, lid 3, van het DWU afgewezen.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar tegen de onder 1.1.1 en 1.1.2 genoemde beslissingen

bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank ongegrond verklaard.
1.4.
Na het instellen van hoger beroep door belanghebbende zijn nog de volgende stukken ingediend:

een nadere motivering van het hoger beroep door belanghebbende

een verweerschrift door de inspecteur, en

een nader stuk door belanghebbende.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2024. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2Feiten 2.1.
Belanghebbende beschikt over een vergunning voor het beheer van een douane-entrepot en doet maandelijks een verzamelaangifte van de goederen die zij in de voorafgaande maand in het vrije verkeer heeft gebracht. In haar entrepot slaat belanghebbende onder meer goederen op van het Japanse concern [Japanse concern].
2.2.
Op 1 februari 2019 is de ‘Overeenkomst tussen de Europese Unie en Japan betreffende een economisch partnerschap’ (Pb L 330/3, d.d. 27 december 2018; hierna: de Overeenkomst) in werking getreden. Op basis van de Overeenkomst kan, met ingang van 1 februari 2019, voor goederen van oorsprong uit Japan een beroep worden gedaan op toepassing van een preferentieel tarief.
2.3.
In de maandaangiften over de maanden februari 2019 tot en met december 2019 heeft belanghebbende voor een deel van de goederen die zij als indirect vertegenwoordiger van [Japanse concern] in het vrije verkeer heeft gebracht, geen aanspraak gemaakt op toepassing van het onder 2 genoemde preferentiële tarief, terwijl die mogelijkheid op dat moment wel voor haar openstond. De inspecteur heeft voor de desbetreffende aangifteregels de aangifte van belanghebbende gevolgd en dus niet het preferentiële tarief (0%) toegepast.
2.4.
Het geschil betreft in alle gevallen goederen die reeds vóór de inwerkingtreding van de Overeenkomst (op 1 februari 2019) zijn ingeslagen in het entrepot van belanghebbende, maar pas op of na die datum in het vrije verkeer zijn gebracht. De facturen voor deze goederen zijn afkomstig van [Japanse concern] [A Ltd.]. en gericht aan [Japanse concern] [B B.V.]. De tot de gedingstukken behorende facturen zijn gedateerd in de periode van 1 februari 2017 tot en met 31 januari 2019. Uit het op de facturen geplaatste attest van oorsprong blijkt dat deze allemaal achteraf zijn opgemaakt:

“The exporter of the products covered by this document (Exporter Reference No. [***] ) declares that, except where otherwise clearly indicated, these products are of JAPAN preferential origin (C-1).Tokyo, 02 February 2019 [Japanse concern] [A Ltd.].”

De vermelding van 2 februari 2019 als datum van afgifte berust op een keuze van [Japanse concern], zo is vermeld in een tot de gedingstukken behorend e-mailbericht van 14 mei 2020 van belanghebbende aan de inspecteur:

“Onze klant heeft gemeend de achteraf afgegeven attesten te dateren op een datum kort na de inwerkingtreding van de [Overeenkomst] per 1 februari 2019. Echter in werkelijkheid heeft onze klant de betreffende facturen (…) op 24 en 25 juni 2019 voorzien van de betreffende factuurverklaring. (…) Deze facturen heeft onze klant op 26 juni 2019 met ons gedeeld waarna wij deze hebben vastgelegd in ons systeem.”
2.5.
Op 2 maart 2020 heeft belanghebbende een verzoek om terugbetaling ingediend, onder meer voor de douanerechten die zijn geheven over de goederen uit Japan waarvoor zij beschikte over een attest van oorsprong, maar waarvoor zij in haar maandaangiften (in de periode van februari 2019 tot en met december 2019) geen aanspraak heeft gemaakt op het preferentiële tarief. Met dit deel van haar verzoek om terugbetaling is een bedrag van € 312.584,18 aan douanerechten gemoeid.
2.6.
Bij brief van 10 juli 2020 heeft belanghebbende daarnaast – voor dezelfde aangifteregels als waarop voormeld verzoek om terugbetaling betrekking heeft – een verzoek tot wijziging ingediend, met toepassing van het bepaalde in artikel 173, lid 3, van het DWU. Zij verzoekt haar maandaangiften zodanig te wijzigen dat daarin voor de desbetreffende goederen (alsnog) aanspraak wordt gemaakt op het preferentiële tarief.
2.7.
Bij (in één geschrift vervatte) beschikkingen van 25 november 2020 heeft de inspecteur zowel het onder 2.5 genoemde verzoek om terugbetaling als het onder 2.6 genoemde verzoek om wijziging, afgewezen. In hetzelfde geschrift heeft de inspecteur wel terugbetaling verleend op een aantal andere aangifteregels, omdat daarvoor wel aanspraak op preferentie was gemaakt, maar het verkeerde tarief was toegepast; deze terugbetalingen zijn geen onderwerp van geschil.
3Geschil in hoger beroep
Tussen partijen is in geschil of de verzoeken om terugbetaling en de verzoeken om wijziging van de desbetreffende aangifteregels, terecht zijn afgewezen.
4Beoordeling van het geschil 4.1.
Hoofdregel is dat bij het in het vrije verkeer brengen van goederen uit derde landen de invoerrechten verschuldigd zijn die voor de desbetreffende goederen zijn vermeld in de gecombineerde nomenclatuur (artikel 56, lid 2, onder c, DWU). Indien de goederen voldoen aan de voorwaarden van een preferentiële tariefmaatregel, dan treedt het preferentiële tarief op aanvraag van de aangever in de plaats van het reguliere tarief (artikel 56, lid 3, eerste volzin, DWU). Deze aanvraag kan achteraf worden ingediend, zolang is voldaan aan de in de toepasselijke maatregel of in het DWU vastgestelde termijnen en voorwaarden (artikel 56, lid 3, laatste volzin, DWU).
4.2.
In artikel 64, lid 2, van het DWU is bepaald dat voor goederen die in aanmerking komen voor preferentiële maatregelen in het kader van overeenkomsten die de EU met landen buiten het douanegebied van de EU heeft gesloten, zoals de Overeenkomst, de regels betreffende de preferentiële oorsprong bij die overeenkomsten worden vastgesteld.
4.3.
Belanghebbende wenst in aanmerking te komen voor het preferentiële tarief dat (desgevraagd) van toepassing is op goederen van oorsprong uit Japan die op de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst (1 februari 2019) reeds naar de Europese Unie waren overgebracht, maar nog niet in het vrije verkeer waren gebracht. De Overeenkomst voorziet in artikel 3.29 in een specifieke bepaling voor deze categorie goederen:

“ARTIKEL 3.29 Overgangsbepalingen voor doorvoer of opslag van producten

De bepalingen van deze overeenkomst kunnen worden toegepast op producten die voldoen aan de bepalingen van dit hoofdstuk en die zich op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst hetzij in doorvoer tussen de partij van uitvoer en de partij van invoer hetzij onder douanetoezicht in de partij van invoer bevinden zonder dat invoerrechten en belastingen zijn betaald, op voorwaarde dat binnen twaalf maanden na die datum bij de douaneautoriteit van de partij van invoer een verzoek om preferentiële tariefbehandeling als bedoeld in artikel 3.16 wordt ingediend.”
4.4.
Dit brengt met zich dat belanghebbende uiterlijk op 31 januari 2020 een verzoek om preferentiële tariefbehandeling had moeten indienen. Belanghebbende heeft pas op 2 maart 2020 verzocht om preferentiële tariefbehandeling. Dat is na het verstrijken van de in artikel 3.29 van de Overeenkomst gestelde termijn van twaalf maanden, zodat het verzoek om terugbetaling in zoverre terecht is afgewezen.
4.5.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij toch voor de gevraagde terugbetaling in aanmerking komt. Zij betoogt in de eerste plaats dat de desbetreffende regels van de maandaangiften met toepassing van artikel 173, lid 3, van het DWU met terugwerkende kracht kunnen worden gewijzigd, en wel zodanig dat in deze aangifteregels alsnog een beroep op de preferentie wordt gedaan. Omdat de aangiften zijn gedaan binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van de Overeenkomst, leidt een dergelijke wijziging ertoe dat (toch) tijdig om preferentiële tariefbehandeling is verzocht, zodat niets meer aan terugbetaling in de weg staat, aldus belanghebbende.
4.6.
Het Hof overweegt ter zake als volgt. Artikel 173, lid 3, van het DWU voorziet weliswaar in een mogelijkheid tot wijziging van een aangifte na vrijgave van de goederen, maar deze mogelijkheid is beperkter geformuleerd dan de mogelijkheid van herziening van de aangifte in het voormalige artikel 78 van het CDW (cursivering Hof):

“3. Op verzoek van de aangever kan, binnen drie jaar na de datum van aanvaarding van de douaneaangifte, worden toegestaan dat de douaneaangifte wordt gewijzigd na vrijgave van de goederen, zodat de aangever zijn verplichtingen inzake het plaatsen van goederen onder de desbetreffende douaneregeling kan nakomen.”

Dit derde lid van artikel 173 vormt een uitzondering op het bepaalde in artikel 173, lid 2, aanhef en onder c, waarin is bepaald dat een aangifte na vrijgave van de goederen niet meer mag worden gewijzigd. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 8 juni 2023, SC Zes Zollner Electronic SRL, zaak C‑640/21, ECLI:EU:C:2023:457, gepreciseerd dat deze uitzondering strikt dient te worden uitgelegd, overeenkomstig de wil van de Uniewetgever:

“40. (…) Het is juist dat een douaneaangifte volgens lid 3 na vrijgave van de goederen kan worden gewijzigd, maar uitsluitend „zodat de aangever zijn verplichtingen inzake het plaatsen van goederen onder de desbetreffende douaneregeling kan nakomen”. (…)

41. Voorts berust het douanewetboek van de Unie volgens de rechtspraak van het Hof op een aangiftesysteem om douaneformaliteiten en -controles zo veel mogelijk te beperken, en tegelijk fraude of onregelmatigheden die nadelig kunnen zijn voor de begroting van de Unie te voorkomen. Het is vanwege het belang van deze aangiften voor de goede werking van de douane-unie dat de aangever bij artikel 15 van het douanewetboek van de Unie wordt verplicht juiste en volledige inlichtingen te verstrekken (arrest van 9 juli 2020, Unipack, C‑391/19, EU:C:2020:547, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42. Deze verplichting is het uitvloeisel van het beginsel dat de douaneaangifte onherroepelijk wordt zodra zij is aanvaard, aangezien uitzonderingen op dit beginsel in het desbetreffende recht van de Unie strikt zijn geregeld (arrest van 17 september 2014, Baltic Agro, C‑3/13, EU:C:2014:2227, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43. Hoewel dit beginsel van onherroepelijkheid in het douanewetboek van de Unie wordt afgezwakt doordat een douaneaangifte krachtens artikel 173 kan worden gewijzigd, vormt deze mogelijkheid niettemin een strikt uit te leggen uitzondering op dit beginsel.

44. Deze uitlegging brengt bovendien de wil van de Uniewetgever tot uitdrukking. Zoals namelijk volgt uit een vergelijking van artikel 173, lid 3, van het douanewetboek van de Unie zoals de wetgever het heeft vastgesteld, met de tekst die de Commissie had voorgesteld in artikel 149 van het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie [COM(2012) 64 final], is het deze wetgever die aan artikel 173 de voorwaarde heeft toegevoegd waarnaar wordt verwezen in punt 40 van dit arrest, dat na vrijgave van de goederen slechts om een wijziging kan worden verzocht om de aangever in staat te stellen zijn verplichtingen inzake het plaatsen van goederen onder de desbetreffende douaneregeling na te komen. Hieruit blijkt de wil van die wetgever om de mogelijkheden tot wijziging van de douaneaangiften te beperken.”
4.7.
Gelet op het vorenoverwogene heeft de inspecteur het verzoek tot wijziging van de aangiften terecht afgewezen. Het hoger beroep faalt in zoverre.
4.8.
Bij deze stand van het geding stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de door haar verlangde terugbetaling dient te worden verleend op grond van artikel 120 van het DWU. Deze bepaling voorziet in de mogelijkheid van terugbetaling van invoerrechten om redenen van billijkheid, indien een douaneschuld is ontstaan onder bijzondere omstandigheden, waarin de schuldenaar geen bedrog heeft gepleegd, noch kennelijk nalatig is geweest. De ‘bijzondere omstandigheid’ is volgens belanghebbende gelegen in het plotselinge overlijden van haar (enige) douane-deskundige medewerker op 1 december 2019.
4.9.
Uit de bewoordingen van artikel 120 van het DWU volgt dat sprake moet zijn van een oorzakelijk verband tussen de gestelde “bijzondere omstandigheden” en het ontstaan van de douaneschuld waarvan terugbetaling wordt verzocht. In de onderwerpelijke zaak ontbreekt dat verband: in de aangiften over de maanden februari 2019 tot en met oktober 2019, waarvoor naar het Hof begrijpt de desbetreffende medewerker nog wel de aangiften heeft ingediend, is immers evenmin aanspraak gemaakt op de preferentie. Dan kan niet worden aangenomen dat de oorzaak van het niet aanvragen van de preferentie is gelegen in het overlijden van de medewerker. Daar komt bij dat het plotseling uitvallen of wegvallen van een werknemer blijkens de rechtspraak van het Hof van Justitie geen bijzondere omstandigheid vormt (vgl. HvJ 11 november 1999, Firma Söhl & Söhlke, C-48/98, r.o 68 en 76).
4.10.
Daarnaar gevraagd ter zitting in hoger beroep heeft belanghebbende verklaard dat het beroep op artikel 120 DWU zich niet enkel uitstrekt tot de aangiften, maar ook tot het verzoek om terugbetaling: indien de desbetreffende medewerker niet zou zijn overleden had zij nog tijdig een verzoek om terugbetaling kunnen indienen. Ook deze grief slaagt niet. Zoals uiteengezet onder 4.8 dient voor een geslaagd beroep op artikel 120 DWU de douaneschuld te zijn ontstaan onder bijzondere omstandigheden. Het als gevolg van een bijzondere omstandigheid niet tijdig indienen van een verzoek om terugbetaling valt derhalve niet onder de reikwijdte van artikel 120 DWU. Ook in zoverre faalt daarom het beroep op artikel 120 DWU.
4.11.
Belanghebbende heeft tot slot betoogd dat uit de in het Handboek Douane opgenomen Mededeling nr. 8; “Economische Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en  Japan (EPA EU-Japan)”, en dan met name het bepaalde onder punt 8.9 van deze mededeling, volgt dat gedurende drie jaar een verzoek om terugbetaling kan worden gedaan. De desbetreffende tekst luidt, voor zover hier van belang:

Verzoeken om terugbetaling

U kunt een verzoek om terugbetaling bij de Douane indienen als u bij het inbrengen van goederen in het vrije verkeer geen gebruik hebt gemaakt van het preferentiële tarief. Dit kan alleen bij producten van oorsprong uit Japan op grond van art. 117 DWU onder de gebruikelijke voorwaarden. (…)

Belanghebbende ziet eraan voorbij dat de termijn voor het indienen van een verzoek om terugbetaling in deze zaak niet de beperkende factor is: die termijn bedraagt drie jaar (zie artikel 121, lid 1, aanhef en onder a, van het DWU). De inspecteur heeft het verzoek van belanghebbende dan ook terecht ontvankelijk geacht. Hij heeft het verzoek vervolgens afgewezen omdat niet is voldaan aan de voorwaarde gesteld in artikel 3.29 van de Overeenkomst dat binnen één jaar na inwerkingtreding van die Overeenkomst om preferentie dient te worden verzocht. Dat oordeel is juist (zie r.o. 4.1 tot en met 4.7).

Slotsom
4.12.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
5Kosten
Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.
6Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter van de douanekamer, C.J. Hummel en W.J. Blokland, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 17 december 2024 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Artikel delen