ECLI:NL:GHSHE:2025:62
text/xml
public
2025-05-14T19:20:07
2025-01-14
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-14
200.335.259_01
Uitspraak
Hoger beroep
NL
's-Hertogenbosch
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:62
text/html
public
2025-05-14T19:14:59
2025-05-14
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHSHE:2025:62 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 14-01-2025 / 200.335.259_01
Onrechtmatig handelen door bij bouwwerkzaamheden (ontgraving) aan het buurperceel geen voorzorgsmaatregelen te treffen. Schade (scheurvorming) ontstaan aan garage buren ten gevolge van deze werkzaamheden. Deskundigen rapporten.
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.335.259/01
arrest van 14 januari 2025
in de zaak van
[appellant] , h.o.d.n. [handelsnaam],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. A.L. Stegeman te Heerlen,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. N.W. Sprenger-Andela te Amsterdam.
op het bij exploot van dagvaarding van 28 september 2023 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 1 september 2021, 27 juli 2022, 26 oktober 2022 (bevel deskundigenbericht) en 5 juli 2023, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.
1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 8691828 CV EXPL 20-3753)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep van 28 september 2023;
de akte uitlaten mondelinge behandeling na aanbrengen zijdens [appellant] ;
de memorie van grieven van [appellant] met producties;
de memorie van antwoord van [geïntimeerde] met producties;
de akte uitlaten producties van [appellant] ;
de antwoordakte van [geïntimeerde] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De beoordeling
De feiten
3.1.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
3.1.2.
Tussen de woning van [geïntimeerde] en haar buren, de heer en mevrouw [xxx] (verder
gezamenlijk te noemen: [xxx] ) bevond zich een oude schuur op afstand van minder dan een
meter van de garage van [geïntimeerde] . [xxx] heeft [appellant] opdracht gegeven tot herbouw van die
schuur tot een nieuwe woning. De schuur is vervolgens door [appellant] in 2011 geheel afgebroken
waarna [appellant] een nieuwe constructie heeft opgetrokken die een stuk dichter bij de garage van [geïntimeerde] staat dan waar de schuur stond.
3.1.3.
Op enig moment is volgens [geïntimeerde] schade aan de garage ontstaan in de vorm van scheurvorming, hetgeen voor haar aanleiding was om haar opstalverzekeraar in te schakelen. De opstalverzekeraar heeft [---] Experts (verder te noemen: [---] ) op 3 april 2019 opdracht gegeven om een expertise te verrichten. [---] heeft in haar rapport d.d. 30 april 2019 (productie 2 bij dagvaarding) onder meer het navolgende geschreven:
"(...) Ongeveer acht jaar geleden is een oude schuur op het perceel van de buren in zijn geheel afgebroken en is er een nieuwe gemetselde constructie geplaatst op het betreffende perceel op circa 30 a 35 centimeter naast de garage van verzekerde. De garage maakt onderdeel uit van het woonhuis van verzekerde, vanuit de hal van het woonhuis is een loopdeur naar de garage aanwezig.
Na ongeveer 3 a 4 jaar bemerkte verzekerde dat er in de garage scheuren zichtbaar werden, met name naast de binnenzijde van de garagepoort. Gedurende de tijd verergerde de scheuren en werden er meer scheuren zichtbaar in de wanden en de vloer van de garage. Ter plaatse konden wij constateren dat er een behoorlijke mate van ontzetting zichtbaar in diverse delen van de garage. Op basis van de aanwezige sporen is het niet uit te sluiten dat er sprake is / is geweest van een verzakking.
Gezien de gerealiseerde constructie op het perceel van de buren is het tevens niet uit te sluiten dat de bouw hiervan de oorzaak is. Op onderstaande foto 's wordt dit verduidelijkt. Om het een en ander definitief vast te kunnen stellen zou een bouwkundig (destructief) onderzoek uitkomst kunnen bieden.
(…)
In verband met privé omstandigheden is de schade pas in een later stadium gemeld. Tevens wist verzekerde in beginsel niet wat ze met de geconstateerde gebreken aan moest.”
De opstalverzekeraar heeft vervolgens besloten geen dekking te verlenen.
3.1.4.
Vervolgens heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] een bouwkundige expert ingeschakeld, [persoon A] (verder te noemen: [persoon A] ) van [zzz] Bouwpathologie, die op 27 augustus 2019 een expertise heeft verricht. Daarbij waren tevens mevrouw [geïntimeerde] , de heer en mevrouw [xxx] en de heer [appellant] aanwezig. In diens rapport d.d. 26 november 2019 (productie 3 bij dagvaarding) staat onder meer het navolgende geschreven (pagina 13):
“Beoordeling
Uitgaande van de aanleg van een fundering "op staal" (op de ondergrond) bij de bouw van de
woning en de garage van mevrouw [geïntimeerde] , is het de vraag hoe diep de fundering onder de garage is aangezet. Zoals gerapporteerd in het voorgaande, laat de bouwtekening twee aanlegdiepten zien: 1,10 m en 1,70 m.
Wanneer rekening gehouden wordt met het oorspronkelijke maaiveldverloop, dan is uit de situatie zoals die door ondergetekende is gezien, wel af te leiden dat van origine het maaiveldverloop van links naar rechts oplopend was. Dat resulteerde bij de bouw van de woning met garage in een niveauverschil van circa 0,5 tot 0,6 m. De navolgende foto laat dit zien, waarbij de rode lijn het peil aanduidt. Tussen de pijlpunten zitten 9 à 10 lagen metselwerk, wat gelijk staat aan 0,56 tot 0,62 m hoogteverschil.
Wanneer de fundering van de garage onder de linker zijgevel op 1,10 m onder peil is aangelegd, dan betekent dit dat de gronddekking op dat fundament aan de linker zijde maximaal 0,6 m is geweest. Bij het ontgraven van de funderingssloof voor de herbouwde schuur (conform Banens ABU tot 0,9 m onder het peil van de herbouwde schuur) is dus lager gegraven dan de aanlegdiepte van de fundering onder de garage.
Als de fundering onder de linker gevel van de garage op een diepte van 1,70 m onder peil aangelegd is, dan is door het ontgraven van de nieuwe funderingssleuf op het naburige perceel het graafwerk niet tot op de diepte van de aanleg van de fundering van de garage uitgevoerd. De werkelijke diepte van het fundament is alleen met destructief onderzoek vast te stellen.
Gelet op het schadebeeld, waarbij de verplaatsing in verticale richting van de linker zijde van de garage gering is, maar de horizontale verplaatsing wel groot is, valt te concluderen dat het eerder zo zal zijn dat het linker deel van de garage “een stap opzij gezet heeft”.
Dat valt als volgt te verklaren.
Bij een strokenfundering (zoals onder de linker zijgevel van de garage) is het uiteraard van belang dat nooit ontgraven wordt tot in het gebied waar de strokenfundering de belasting uit het gebouw in de ondergrond overdraagt. Die belastingspreiding wordt in de onderstaande tekening weergegeven (…)
Door het ontgraven van het nieuwe fundament bij de herbouw van de schuur is zeker binnen deze maat ontgraven. De mate van ontgraving wordt in de tekening linksonder schematisch aangeduid door de blauwe stippellijn, uitgaande van de aanlegdiepte van het fundament van de garage op l,70 m onder peil. Wanneer die aanlegdiepte echter 1,10 m bedraagt, dan wordt de ontgraving door de rode stippellijn in de tekening rechtsonder weergegeven.
In beide gevallen is de zijdelingse gronddruk weggenomen door de ontgraving, zonder dat daar stabiliserende voorzieningen tegenover stonden. (...)
Op grond van het voorgaande is te concluderen dat de opgetreden en tijdens de periode van 2011 tot heden toegenomen scheurvorming in de garage het gevolg is van de zijdelingse verplaatsing, veroorzaakt door de ontgravingen voor de nieuwe fundering van de herbouwde schuur.
(...)
ANTWOORDEN OP DE VRAGEN UIT DE OPDRACHTBRIEF
I. Is het aannemelijk dat er een causaal verband bestaat tussen de schade aan de garage van
mevrouw [geïntimeerde] en de (her)bouwwerkzaamheden zoals verricht op het naburige perceel?
Ja, dat causale verband kan inderdaad aannemelijk geacht worden. (...) "
3.1.5.
[geïntimeerde] heeft [appellant] buiten rechte aansprakelijk gesteld voor de ontstane schade aan haar schuur, maar [appellant] heeft geen aansprakelijkheid aanvaard.
De procedure bij de rechtbank
3.2.1.
In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde] na vermeerdering van eis de veroordeling van [appellant] tot betaling van:
- € 7.974,88 herstelkosten, - € 900,00 kosten voor tijdelijke opslag inboedel garage,
- € 250,00 kosten schadebeperkende maatregelen (tot aan het moment van definitief herstel) inclusief btw,
- € 1.411,66 expertisekosten [zzz] bouwpathologie inclusief btw,- € 3.991,49 kosten deskundigenbericht Mercator inclusief btw,
- € 1.113,54 buitengerechtelijke incassokosten, alsmede betaling van de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot aan de dag van voldoening, een en andere onder verwijzing van [appellant] in de proceskosten met rente en in de nakosten.
3.2.2.
Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengaat, het volgende ten grondslag gelegd. De scheurvorming in de garage van [geïntimeerde] is veroorzaakt door de door [appellant] uitgevoerde werkzaamheden aan de oude schuur (de sloop daarvan en de ontgravingen voor de nieuwe fundering van de schuur). Ter onderbouwing van die stelling verwijst zij naar de bevindingen van de deskundigen. Omdat [appellant] bij die werkzaamheden niet de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen (waardoor de onderhavige scheurschade is ontstaan), heeft [appellant] onrechtmatig jegens haar gehandeld en moet [appellant] de schade die [geïntimeerde] daardoor heeft geleden vergoeden.
3.2.3.
[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.2.4.
In het (inhoudelijke) tussenvonnis van 1 september 2021 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast, die op 11 april 2022 heeft plaatsgevonden.
3.2.5.
In het tussenvonnis van 27 juli 2022 heeft de kantonrechter de zaak verwezen naar de rol voor uitlating over de hoogte van het voorschot van de te benoemen deskundige.
3.2.6.
In het tussenvonnis van 26 oktober 2022 heeft de kantonrechter een onderzoek door een deskundige bevolen en ing. [persoon B] (hierna: [persoon B] ) van Mercator Projectmanagement tot deskundige benoemd.
3.2.7.
Op 7 februari 2023 heeft [persoon B] zijn definitieve rapport uitgebracht. Op pagina 20 van zijn rapport staat:“Tot het moment van ontgraven van het perceel [adres 2] was er een evenwicht tussen de zijdelingse gronddruk onder de garage tegen de binnenzijde van de fundering van de linker garagewand en de zijdelingse gronddruk vanaf het perceel [adres 2] tegen de buitenzijde van de fundering van de linker garagewand.
Door ontgraving van de buitenzijde ten behoeve van de nieuwe fundering voor de nieuwbouw zonder voorzieningen is dat evenwicht verstoord waardoor de tegendruk aan de buitenzijde is weggevallen.
Door vóór het afgraven (en liefst zelfs vóór het slopen) een voorziening te realiseren (bijvoorbeeld een damwand of andere stabiliserende maatregelen) had deze destabilisatie en dus de zijdelingse druk opgevangen kunnen worden. Echter uit de Conclusie van antwoord van [appellant] blijkt uit ii Feiten, 2, dat pas
na
de ontgraving ter plaatse van de achtergevel en voorgevel van de garage, tussen de garage en de nieuwbouw "muurdammen" gerealiseerd zijn. Hier staat namelijk: "Tussen de herbouwde constructie en de voorzijde en achterzijde van de garage van [geïntimeerde] heeft [appellant] , in overleg met [geïntimeerde] (die inmiddels is overleden) een steundam gemetseld om verzakken te beletten". Los van het feit dat een dergelijke muurdam/dergelijke muurdammen aangebracht had/hadden dienen te worden
voordat
ontgraving plaatsvindt, dienen dergelijke voorzieningen om de 1 a 1,5 m aangebracht te worden. Tevens blijkt hieruit dat [appellant] dus op de hoogte was, of tenminste een vermoeden had, van het (mogelijk) ontstaan van verzakking dan wel verschuiving van de garage.
Door die ontgraving zonder voorzieningen is, zoals [persoon A] in zijn rapportage ook al schreef, de zijdelingse stabiliteit van de grond verwijderd omdat er (zonder voorzieningen) dieper ontgraven is dan de aanlegdiepte van 1.100 mm -/- peil van de fundering van de linker zijgevel van de garage van [adres 1] . Hierdoor kon de garage als het ware “een stap opzijzetten".
De aangetroffen scheurvorming is dan ook het logische gevolg van het overschrijden van de trekkracht van de materialen waardoor op de zwakste punten breuk en/of scheurvorming optreedt.”
Op pagina 24 e.v. van zijn rapport staat:
“8 Antwoorden op de vragen
(1) Welke schade constateert u aan de garage van [geïntimeerde] en wat is op basis van het bestuderen van alle beschikbare informatie (en eventueel aanvullend (grond- en/of destructief) onderzoek) naar uw mening de oorzaak van deze schade?
Ik heb de navolgende schades geconstateerd in en aan de garage van [geïntimeerde] :
- Openstaande naad tussen de vloer en de linker zijgevel van de woning;
- openstaande naad tussen het plafond en de linker zijgevel van de woning;
- scheur (openstaand) in de garagevloer ter plaatse van de tussendeur tussen de garage en het woonhuis;
- scheuren in de muur boven de tussendeur tussen de garage en het woonhuis;
- balken van de balklaag die ter plaatse van de oplegging in de linker zijgevel van de woning een
horizontale verplaatsing naar links vertonen;
- scheuren in de achtergevel van de garage boven de deur, zowel in het binnen als in het buitenblad;
- latei boven de garagepoort die ter plaatse van de oplegging in de linker zijgevel van de woning een horizontale verplaatsing naar links vertoont;
- losgetrokken boeiboord, poortstijl en bestrating aan de rechterzijde van de voorgevel van de garage;
- scheurvorming in de hoek tussen voorgevel en linker zijgevel garage aan de binnenzijde;
- scheur in de linker zijgevel van de garage aan de binnenzijde;
- scheurvorming in de vloer van de garage van de linker naar de rechterzijde.
Op basis van mijn onderzoek ter plaatse, gecombineerd met het onderzoek van [persoon A] en de door mij bestudeerde overige verkregen informatie acht ik het vrijwel zeker dat de oorzaak van de schade een horizontale verplaatsing van de gehele garage richting het perceel [adres 2] is. Daarbij is de garage als het ware losgescheurd van de woning, Een geringe verticale verplaatsing is daarbij onvermijdelijk, echter die is het gevolg van de horizontale verplaatsing.
Deze horizontale verplaatsing is mogelijk geworden doordat voorafgaand aan de sloop en ontgraving op het perceel [adres 2] onvoldoende (of feitelijk geen) preventieve maatregelen genomen zijn om de stabiliteit van de grond op en onder het perceel [adres 1] te borgen.
Voor wat betreft de twee laatstgenoemde schades ben ik van mening dat deze geen relatie hebben met de werkzaamheden op het naastgelegen perceel.
(2) Had deze schade voorkomen kunnen worden door het treffen van schadebeperkende maatregelen bij het uitvoeren van de werkzaamheden op het naburige perceel, mede in het kader van de voorbereiding? Zo ja, welke maatregelen?
Ja.
Deze schade had naar mijn mening voorkomen kunnen worden door voorafgaand aan de sloop en de ontgraving ter plaatse van de linker zijgevel van de garage stabiliserende maatregelen te nemen. Qua maatregelen kan men denken aan het aanbrengen van een damwand in de grond of aan het segments-gewijs slopen van de aanwezige fundering over stukken van 1 a 1,5 m waarbij meteen na sloop (en ontgraving) de nieuwe fundering aangebracht en aangevuld wordt in het betreffende segment. Pas daarna kan men de werkzaamheden verplaatsen naar het volgende segment. Een dergelijke methode wordt vrijwel altijd voorgeschreven bij bijvoorbeeld funderingsherstel.
3) Is er een causaal verband tussen schade en de werkzaamheden op het naburige perceel? Zo ja, is de schade uitsluitend aan (het voorbereiden en realiseren van) deze werkzaamheden toe te schrijven, of is de oorzaak van de schade mede toe te rekenen aan de situatie ter plekke (grondgesteldheid, waterstromen etc.)? Indien dat laatste het geval is, wat is dan volgens u de verhouding tussen die verschillende oorzaken van de schade?
Met uitzondering van de dwarsscheur in de garagevloer ben ik van mening dat er een causaal verband bestaat tussen de aangetroffen schade en de (grond- en funderings-) werkzaamheden ten behoeve van de nieuwbouw op het naburige perceel.
Voor wat betreft de oorzaak van de causale schade ben ik van mening dat deze alleen te maken heeft met het niet, dan wel onvoldoende, treffen van voorzorgsmaatregelen om de (horizontale) stabiliteit van de grond op voorhand te borgen. Dit is reeds toegelicht bij de beantwoording van vraag (2).
(4) Hoe dient de schade te worden hersteld en welke kosten gaan daarmee gepaard?
Net als [persoon A] ben ik van mening dat er een nieuwe evenwichtssituatie ontstaan is. Derhalve is het opvangen of herstellen van de fundering onder de linker zijgevel van de garage niet aan de orde.
Om de aangetroffen schades te herstellen dient het gescheurde metselwerk boven en nabij de deurkozijnen uitgehaald en opnieuw ingeboet te worden. Dit geldt voor zowel het binnen- en het buitenspouwblad waar dit van toepassing is.
1. Openstaande naad tussen de vloer en de linker zijgevel van de woning:
Deze naad kan volgegoten worden met een reparatiemortel of met een flexibele kitnaad gevuld worden.
2. Openstaande naad tussen het plafond en de linker zijgevel van de woning:
Na de voorgestelde oplossing m.b.t. punt 5, herstel van het metselwerk van het binnenblad en herstel van de binnenzijde van de voorgevel, kan het plafond voor zover dit gedemonteerd is aangeheeld worden en kan de (indien dan nog aanwezige) naad met een afdeklat afgewerkt worden.
3. Scheur (openstaand) in de garagevloer ter plaatse van de tussendeur tussen de garage en het woonhuis:
Ook hier kan de scheur met reparatiemortel gevuld worden. Een andere optie is om de scheur recht uit te zagen en deze snede vervolgens met een kit te vullen. Daarmee wordt feitelijk een dilatatie gerealiseerd tussen de garagevloer en de woning.
4. Scheuren in de muur boven de tussendeur tussen de garage en het woonhuis:
Het gescheurde metselwerk boven en nabij het deurkozijn dient uitgehaald en opnieuw ingeboet te worden. Dit geldt ook voor de tijdens de opname niet zichtbare maar wellicht wel aanwezige scheuren boven het plafond ter plaatse van die deur.
5. Balken van de balklaag die ter plaatse van de oplegging in de linker zijgevel van de woning een horizontale verplaatsing naar links vertonen:
Het is aannemelijk dat deze verplaatsing met circa 15 a 200 mm dermate gering is dat er nog voldoende oplegging aanwezig is. In dat geval zijn er geen aanvullende maatregelen nodig. Mocht de oplegging bij nadere controle onvoldoende zijn dan is het aanbrengen van gordingklossen de meest efficiënte en minst ingrijpende oplossing. Derhalve handhaaf ik de stelpost die door [persoon A] opgenomen is.
6. Scheuren in de achtergevel van de garage boven de deur, zowel in het binnen als in het buitenblad:
Het gescheurde metselwerk boven en nabij de deurkozijnen dient uitgehaald en opnieuw ingeboet te worden. Dit geldt voor zowel het binnen- en het buitenspouwblad waar dit van toepassing is. Ook geldt dit voor de tijdens de opname niet zichtbare maar wellicht wel aanwezige scheuren boven het plafond ter plaatse van die deur.
7. Latei boven de garagepoort die ter plaatse van de oplegging in de linker zijgevel van de woning een
horizontale verplaatsing naar links vertoont:
Ook hier dient beoordeeld te worden of deze nog voldoende opligt. Vooralsnog ben ik van mening dat dat wel het geval is. Derhalve neem ik daar geen herstelplan/herstelkosten voor op.
8. Losgetrokken boeiboord, poortstijl en bestrating aan de rechterzijde van de voorgevel van de garage:
Na (gedeeltelijke) verwijdering van het plafond kan de losgetrokken bevestiging hersteld worden. De ontstane kier kan met een aftimmerlat afgedekt worden.
9. Scheurvorming in de hoek tussen voorgevel en linker zijgevel garage aan de binnenzijde:
Ook hier moet het metselwerk uitgehaald en opnieuw ingeboet worden.
Voor de raming van de herstelkosten heb ik gebruik gemaakt van de door [persoon A] geraamde netto herstelkosten. Ik heb deze kosten geïndexeerd met de CBS-index voor bouwkosten van 11-2019 tot en met 12-2022.
Dar waar [persoon A] uitgaat van het aanwerken van de scheuren (hoek links voorgevel binnenzijde) ben ik van mening dat deze uitgehaald en ingeboet dienen te worden. Tevens heb ik geen laag btw-tarief toegepast voor de schilderwerken nu deze kosten dermate gering zijn.
De door [persoon A] opgevoerde kosten voor het uitruimen en opslaan van goederen uit de garage heb ik bewust niet meegenomen omdat die mijns inziens geen deel uitmaken van de voor dit deskundigen- bericht gevraagde kosten.
(5) Geeft het onderzoek u aanleiding tot het maken van nadere opmerkingen, zo ja welke?
Ondanks het aandringen van [appellant] om destructief onderzoek uit te voeren ben ik van mening dat destructief onderzoek niet meer gegevens op zal leveren dan de gegevens die via de diverse bronnen, waarneming ter plaatse en goed gebruik naar boven gehaald zijn.
Voor het overige heb ik alle zaken die ik van belang acht verwerkt in dit deskundigenbericht.”
3.2.8.
In het eindvonnis van 5 juli 2023 heeft de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen € 11.080.24 (€ 7.974.88 + € 900.00 + € 1.411.66 + € 793.70), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2020 tot aan de dag van voldoening. Voorts is [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] € 3.991.49 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van voldoening. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde] vermeerderd met rente.
De procedure in hoger beroep
3.3.
[appellant] heeft in hoger beroep negen grieven aangevoerd. Met de grieven is het geschil tussen partijen in volle omvang aan het hof voorgelegd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen eindvonnis en de drie tussenvonnissen en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.
Eisvermeerdering
3.4.
Met grief 2 heeft [appellant] terecht aangevoerd dat hij door de kantonrechter niet in de gelegenheid is gesteld op de vermeerdering van eis aan de zijde van [geïntimeerde] te reageren, maar dat verzuim is hersteld nu [appellant] in de memorie van grieven alsnog heeft gereageerd op de gewijzigde eis. Het hof acht de wijziging van eis niet in strijd met de eisen van een goede procesorde en zal recht doen op de gewijzigde eis. Daarmee is deze grief afdoende besproken.
Verjaring
3.5.
Met grief 1 betoogt [appellant] dat de kantonrechter bij de beschrijving van zijn verweer in onderdeel 33 CvD (“rechtsverwerking en beperkende werking redelijkheid en billijkheid”) , waarbij [appellant] verwees naar het – gesteld - lange stilzitten door [geïntimeerde] en de benadeling van [appellant] daardoor, in het tussenvonnis van 1 september 2021 ten onrechte niet heeft benoemd dat [appellant] (ook) een beroep op verjaring heeft gedaan. Deze grief wordt verworpen, nu in een beroep op rechtsverwerking geen beroep op verjaring valt te lezen. Aangezien [appellant] bij memorie van grieven alsnog een beroep doet op verjaring met grief 3 zal het hof dit (meest verstrekkend verweer) thans eerst beoordelen. Het hof verwerpt het beroep van [appellant] op verjaring. Art. 3:310 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie o.m. HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:18) moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade dan wel het enkele vermoeden welke persoon voor de schade aansprakelijk is, niet volstaat. De verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn - heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is afhankelijk van alle ter zake dienende omstandigheden.
3.6.
Het hof constateert dat [geïntimeerde] wisselend heeft verklaard over het moment waarop zij scheuren en lekkages waarnam (3 à 4 jaar na oplevering, dan wel omstreeks 2018), maar anders dan [appellant] aanvoert is de relevantie daarvan beperkt. Vaststaat immers dat de opstalverzekeraar, nadat [geïntimeerde] daar melding heeft gemaakt, eerst op 3 april 2019 opdracht heeft gegeven aan [---] om nader onderzoek te doen. [---] heeft op 30 april 2019 gerapporteerd en geconcludeerd dat gezien de gerealiseerde constructie op het perceel van de buren niet was uit te sluiten dat de verzakking hiervan het gevolg is. Op dat moment had [geïntimeerde] derhalve voldoende zekerheid verkregen dat de schade (mogelijk) is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van [appellant] . Dat dit laatste eerder aan [geïntimeerde] , ondanks waarnemingen van scheurtjes e.d., duidelijk had moeten zijn is niet gebleken.De dag daarna is de termijn als bedoeld in art. 3:310 lid 1 BW dan ook gaan lopen. Het nader bouwkundig onderzoek zoals door [---] geadviseerd is verricht door [persoon A] van [zzz] Bouwpathologie. [persoon A] heeft op 26 november 2019 gerapporteerd. [geïntimeerde] heeft [appellant] op 21 april 2020 formeel aansprakelijk gesteld, derhalve ruimschoots binnen de vijf-jaarstermijn. Grief 3 wordt daarmee verworpen.
Rechtsverwerking
3.7.
[appellant] voert in grief 4 terecht aan dat de kantonrechter zijn beroep op rechtsverwerking ten onrechte niet heeft beoordeeld. Het beroep van [appellant] op rechtsverwerking slaagt echter niet. Het hof stelt voorop dat rechtsverwerking kan worden aangenomen indien de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Enkel tijdsverloop is daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt. Hetgeen [appellant] daartoe heeft gesteld geldt niet als zodanige bijzondere omstandigheden.
3.8.
[appellant] stelt immers een afspraak te hebben gemaakt met (wijlen) [geïntimeerde] over de bouw van de schuur, hetgeen zou hebben geresulteerd in twee steundammen ter hoogte van de voor- en achterzijde van de garage. Voor zover [geïntimeerde] daarmee destijds tevreden was, zoals [appellant] stelt - hetgeen [geïntimeerde] betwist -, leidt dat niet tot een vrijwaring jegens [appellant] voor iedere schade die later optreedt. Het ligt immers op de weg van [appellant] om ook jegens de buren van zijn opdrachtgever bij de werkzaamheden de vereiste zorgvuldigheid in acht te nemen. [geïntimeerde] was bovendien een leek en was zich ten tijde van de bouw mogelijk onbewust van eventuele risico’s van de bouw op zijn buurperceel. De eigen keuze van [appellant] om in 2016 zijn aansprakelijkheidsverzekering aan te passen, ten gevolge waarvan de gevorderde schade (schade die is ontstaan door werkzaamheden in het verleden) thans niet meer onder de dekking valt, is een omstandigheid die voor rekening en risico van [appellant] moet blijven en leidt niet tot een ander oordeel. Ook de wijze waarop [geïntimeerde] heeft gehandeld na het ontdekken van de scheuren zoals hierboven onder het kopje “verjaring” besproken, acht het hof adequaat en rechtvaardigt geen beroep op rechtsverwerking.
Is [appellant] aansprakelijk voor de schade aan de garage van [geïntimeerde] ?
3.9.
Het hof komt hiermee toe aan de inhoudelijke beoordeling van de zaak.
De kantonrechter heeft zijn oordeel dat [appellant] aansprakelijk is voor de schade aan de garage van [geïntimeerde] gegrond op de bevindingen uit het deskundigenbericht van [persoon B] . Deze houden, kort samengevat in dat doordat voorafgaand aan de sloop en ontgraving op het perceel [adres 2] onvoldoende (of feitelijk geen) preventieve maatregelen genomen zijn om de stabiliteit van de grond op en onder het perceel van [geïntimeerde] aan de [adres 1] te borgen, vrijwel zeker de gehele garage van [geïntimeerde] horizontaal verplaatst is naar links, richting het perceel [adres 2] . Daarbij is de garage als het ware losgescheurd van de woning, Een geringe verticale verplaatsing is daarbij onvermijdelijk, echter die is het gevolg van de horizontale verplaatsing.
3.10.
[appellant] is het niet eens met dat oordeel. [appellant] betwist dat hij een fout heeft gemaakt en vindt dat hij niet aansprakelijk is. In grief 6 betoogt hij dat de kantonrechter de vorderingen van [geïntimeerde] ten onrechte heeft toegewezen. [appellant] stelt dat de schade niet (alleen) aan hem is toe te rekenen. [appellant] heeft na het eindvonnis van de kantonrechter een deskundige ingeschakeld die een contra-expertise heeft uitgevoerd. Dit tegenrapport is opgesteld door [persoon C] van [yyy] Konstruktie- Adviesbureau v.o.f. (hierna: [yyy] ) en is gedateerd 7 december 2023. Het hof gaat hierna in op zowel het rapport van [persoon B] als het rapport van [yyy] .
Het deskundigenbericht van [persoon B]
3.11.
Met grief 5 betoogt [appellant] dat de rechtbank haar beoordeling grondt op het deskundigenrapport, zonder overtuigende juridische motivering van de beslissing. Het hof overweegt hierover dat voor zover de kantonrechter de bevindingen van de deskundige heeft gevolgd, ingevolge vaste jurisprudentie geldt dat voor de rechter een beperkte motiveringsplicht geldt ten aanzien van zijn beslissing om de bevindingen van deskundigen al dan niet te volgen.
3.12.
Het hof begrijpt dat [appellant] verder meent dat de onderzoeksvraag, die eerst is gesteld aan [persoon A] en waarop [persoon B] vervolgens heeft voortgebouwd, niet neutraal is geweest. [persoon B] is immers gevraagd naar causaal verband tussen de werkzaamheden en de schade en hem is niet de neutrale vraag gesteld wat de oorzaak is van de scheurvorming in de garage van [geïntimeerde] , zo stelt [appellant] .
Het hof verwerpt dit betoog. Het is aan de rechter om, nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld zich over de voorgestelde vragen uit te laten, in zijn vonnis de definitieve vraagstelling aan de deskundige te formuleren. Hij doet dat op basis van zijn voorlopige bewijsoordeel dat de inschakeling van een deskundige noodzakelijk maakt voor de beslissing. De door de kantonrechter gestelde specifieke vragen bepalen de richting van zijn onderzoek en zijn sturend. Dat is ook de bedoeling omdat het deskundigenbericht de basis zal moeten zijn voor de eindbeslissing omtrent het geschilpunt waarover de deskundige moet rapporteren. De deskundige heeft dus geen (volledige) vrijheid van handelen, zijn werk is sterk ingekaderd. De deskundige heeft in vraag 5 ruimte en gelegenheid gekregen andere opmerkingen te maken die voor de beoordeling van het geschil van belang kunnen zijn. [appellant] heeft op het rapport kunnen reageren en [persoon B] heeft uitgebreid gerespondeerd op de opmerkingen en vragen van [appellant] . Het rapport voldoet aldus aan de daaraan te stellen eisen.
Rapport van [yyy]
3.13.
In hoger beroep heeft [appellant] zich beroepen op het rapport van [yyy] . [appellant] stelt dat [yyy] gemotiveerd aangeeft dat de scheuren een heel andere oorzaak hebben dan het graven van de funderingssleuf. Naar het oordeel van het hof volgt die conclusie niet uit de bevindingen van [yyy] . Het hof leest dat [yyy] (op onder meer pagina 4, 11, 12, 14 en 15 van zijn rapport) weliswaar (meermaals) beschrijft dat krimpscheuren in de vloer en scheurvorming in metselwerk veroorzaakt kunnen zijn door aanvangskrimp en/of zettingsverschillen tussen de bouwonderdelen dan wel thermische lengteveranderingen (uitzetten/krimpen) van beton en mortel, maar de onderbouwing daarvan of redenering die leidt tot deze conclusies haalt het hof niet uit het rapport. In het hoofdstuk bevindingen (pagina 13) benoemt [yyy] onduidelijkheden, bijvoorbeeld “of er een lekkage is opgetreden in de riolering garage van de hemelwaterafvoer”, beschrijft hij dat het hoogstwaarschijnlijk is dat verweking van de ondergrond door wateraanbod tot afwijkingen heeft geleid (pagina 16), maar met onduidelijkheden, twijfels (pagina 18) en suggesties worden de conclusies van [persoon B] naar het oordeel van het hof niet weersproken. Waarom naar de mening van [yyy] bepaalde scheuren niet zijn veroorzaakt door fundatiewerkzaamheden bij de schuur bij de erfgrens (bijvoorbeeld pagina 14) heeft hij niet nader gemotiveerd, zijn aannames worden niet onderbouwd. Nu niet kan worden geconcludeerd dat de bezwaren van [yyy] een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de zienswijze van [persoon B] , biedt het rapport geen concrete aanknopingspunten om van de in het rapport van [persoon B] geformuleerde conclusies af te wijken.
Vooronderzoek en voorzorgsmaatregelen
3.14.
Wel staat vast dat [appellant] in 2011, voorafgaand aan zijn werkzaamheden, geen vooronderzoek naar de grondgesteldheid heeft uitgevoerd. Dit had wel op zijn weg gelegen. Uit het deskundigenoordeel van [persoon B] vloeit voort dat aan de bouwwerkzaamheden van [appellant] een aanmerkelijk risico verbonden was dat het naastgelegen huis schade zou worden toegebracht. [appellant] heeft ook niet betwist dat hij, voorafgaand aan de sloop en de ontgraving ter plaatse van de linker zijgevel van de garage, geen stabiliserende maatregelen heeft genomen. Hij heeft geen damwand aangebracht en evenmin de aanwezige fundering van de schuur segments-gewijs gesloopt. [appellant] heeft het standpunt van de deskundige in zijn rapport dat een dergelijke methode (in segmenten slopen van de oude fundering en in dat segment vervolgens aanbrengen van een nieuwe fundering voordat men doorgaat naar het volgende segment) vrijwel altijd wordt voorgeschreven bij bijvoorbeeld funderingsherstel, niet betwist. Met de enkele stelling dat er slechts gedurende een periode van 3 à 4 dagen geen gronddekking was, weerlegt hij niet dat hij (juist) in die periode ten gevolge van het niet treffen van voorzorgsmaatregelen om de (horizontale) stabiliteit van de grond op voorhand te borgen, de schade heeft veroorzaakt. Dit nog daargelaten dat de periode vanaf sloop (wegnemen van oude fundering), ontgraving, storten van nieuwe fundering, het metselen van de nieuwe gevel alsmede de steundammen niet heeft plaatsgevonden binnen 3 à 4 dagen, maar in een periode van circa drie weken. Het rapport van [yyy] geeft voor de lezing van [appellant] evenmin aanknopingspunten. [yyy] benoemt terecht dat [appellant] in 2011 geen “nulmeting” heeft uitgevoerd, zodat er geen duidelijk beeld gevormd kan worden, maar dat komt voor rekening en risico van [appellant] . Het niet treffen van adequate stabiliserende voorzorgsmaatregelen door [appellant] acht het hof in de onderhavige situatie dan ook onzorgvuldig.
Causaal verband werkzaamheden [appellant] en scheuren in de garage
3.15.
[appellant] betwist het causale verband tussen zijn werkzaamheden en de scheurvorming in de garage van [geïntimeerde] . Hij stelt dat de scheuren al voorafgaand aan zijn werkzaamheden aanwezig waren, maar onderbouwt die stelling niet. [appellant] heeft geen voorinspectie gedaan en de stand van zaken voorafgaand aan de werkzaamheden is niet gedocumenteerd. [persoon B] heeft naar de vervuiling in de scheuren gekeken, hetgeen een redelijke indicatie over de “versheid” geeft van de schade (pagina 28 rapport [persoon B] ). In antwoord op vraag 3 (pagina 25 rapport) heeft [persoon B] geconcludeerd dat er causaal verband bestaat tussen de werkzaamheden (gebrek aan voorzorgsmaatregelen) en de schade, evenwel met uitzondering van de dwarsscheur in de garagevloer. [persoon B] heeft bij zijn oordeel de situatie ter plaatse meegewogen. De ondergrond bestaat uit zand en maassediment, hetgeen een stabiele draagkrachtige ondergrond vormt door de afwezigheid van veenlagen. Ook het vermoeden van [appellant] , dat ondergrondse waterstromen mogelijk een (mede) oorzaak kunnen zijn blijkt niet uit de bodemopbouw en de geomorfologie. grondgesteldheid en waterstromen (pagina 22 rapport). Het opperen van mogelijke alternatieven van de door [appellant] geraadpleegde [yyy] (zie 3.13 hierboven) acht het hof onvoldoende voor de gevolgtrekking dat het oordeel van de door de kantonrechter benoemde deskundige niet aanvaardbaar is.
3.16.
De constatering van [persoon B] dat de dakbalken die opliggen in het buitenblad van de linker zijgevel van de woning zijn verschoven over de z-as, hetgeen het gevolg is van een trekkracht op deze balken ( pagina 16 § 7.4.3. rapport [persoon B] ) ondersteunt zijn conclusie dat sprake is geweest van trekkracht. Een tweede aanwijzing ter onderbouwing van deze stelling is dat er tussen de rechter garagewand en het plafond een gapende kier aangetroffen is. Bij de andere aansluitingen tussen wand en plafond is een dergelijke gapende kier niet aangetroffen. Hiermee wordt naar het oordeel van het hof het oordeel van de deskundige onderbouwd dat door het wegvallen van tegendruk bij de werkzaamheden aan de fundering de garage naar links is geschoven. De aangetroffen scheurvorming is het gevolg van het overschrijden van de trekkracht van de materialen waardoor op de zwakste punten breuk en/of scheurvorming optreedt (afsluiting § 7.4.3. rapport [persoon B] ). De suggestie van [yyy] dat met het ontbreken van verankeringen er sprake is van een bouwfout én dat opwaaien van dak niet uitgesloten kan worden leidt, zonder nadere motivering, niet tot een ander oordeel.
3.17.
[appellant] betoogt dat [persoon B] (ten onrechte) geen (destructief) onderzoek naar de fundering van de garage heeft gedaan. Gezien de scheurvorming tussen huis en garage zou daar mogelijk een zwakke verbinding zitten. Deze stelling is echter niet nader onderbouwd. [persoon B] heeft bovendien verklaard (pagina 26 van zijn rapport) dat destructief onderzoek niet leidt tot betere/andere gegevens dan de gegevens die door hem gebruikt zijn. Ook heeft hij verklaard wat de oorzaak kan zijn van de scheur van links naar rechts over de garagevloer (die hij dus juist niet toedicht aan de funderingswerkzaamheden) en toegelicht dat de wijze van fundering van het huis van [geïntimeerde] (een (ongewapende) laag stampbeton van 100 mm dik die gestort is op een vaste grondslag) niets vandoen heeft met het “opzij stappen” van de garage.
3.18.
Het betoog van [appellant] dat de schade is veroorzaakt door de bodemopbouw, ondergrondse waterlopen en een zinkgat is door [persoon B] onderzocht en in zijn rapport gemotiveerd weersproken. De door [appellant] zelf ingeschakelde [yyy] lijkt dit bovendien te bevestigen in zijn vierde vaststelling.
3.19.
De tussenconclusie is dan ook dat [geïntimeerde] met het rapport van [persoon B] gemotiveerd en overtuigend heeft onderbouwd dat de grondwerkzaamheden van [appellant] tot verplaatsing van de garage van [geïntimeerde] hebben geleid. Het hof ziet in hetgeen [appellant] onder verwijzing naar het rapport van [yyy] aanvoert geen aanleiding om van de in het rapport van [persoon B] geformuleerde conclusies af te wijken. Het causale verband tussen de werkzaamheden van [appellant] en de scheuren die in de garage van [geïntimeerde] zijn ontstaan is hiermee gegeven.
3.20.
[appellant] heeft in zijn memorie van grieven nog een aantal concrete bezwaren aangevoerd die het hof hierna zal bespreken. - Dat de steundammen tot functie hebben horizontale verplaatsing zoveel mogelijk te voorkomen, zoals [appellant] stelt, is in beginsel juist, maar dat laat onverlet dat [persoon B] gemotiveerd heeft dat de verschuiving van de garage reeds voor het aanbrengen van de steundammen had plaatsgevonden (§ 7.4.5. pagina 20 rapport [persoon B] ). - [appellant] voert aan dat de lengte van de funderingssleuf korter is dan de lengte van de garage van [geïntimeerde] en verwijst daarbij naar een door hem overgelegde foto (foto 4 bij memorie van grieven). [persoon B] heeft evenwel onderbouwd dat het niet ontgraven van een klein stukje grondkering terwijl de rest openligt, niets doet qua tegendruk van het totaal (pagina 32 rapport [persoon B] ).
- [persoon B] heeft zich bij zijn onderzoek bediend van het Prandtl-wig bezwijkmechanisme. [appellant] voert aan dat dit onbruikbaar is omdat, kort gezegd, onduidelijk is hoe breed de zone van het model is en evenmin helder is waar door [appellant] is afgegraven. Naar het oordeel van het hof had het op de weg van [appellant] gelegen concreet aan te tonen waar hij heeft gegraven teneinde de vaststellingen van [persoon B] te weerspreken. Nu [appellant] dit niet heeft gedaan (hij heeft immers geen vooronderzoek verricht) en evenmin aangetoond dat hij niet in de desbetreffende zones heeft gegraven, wordt deze stelling van [appellant] verworpen.
3.21.
Resteert nog de stelling van [appellant] dat de scheuren er al waren vóór 2011 hetgeen volgens hem blijkt uit het feit dat [geïntimeerde] de ijzeren poort van de garage vaak met grote kracht dichtgooide omdat de deur klemt door verzakking van de garage (§ 25 CvA) en zijn bewijsaanbod dienaangaande (grief 8). Het hof is van oordeel dat uit de schriftelijke getuigenverklaringen die in het geding zijn gebracht mogelijk kan worden afgeleid dat [geïntimeerde] de garagedeur krachtig dichtgooide, maar verklaringen die zien op eigen waarnemingen door de opgevoerde getuigen omtrent reeds aanwezige scheuren ontbreken. Veeleer is slechts sprake van de auditu verklaringen omtrent (mogelijke? welke?) scheuren. In zoverre is niet voldaan aan een voldoende onderbouwing door [appellant] van zijn verweer op dit punt. Hier wreekt zich wederom dat [appellant] geen nulmeting heeft gedaan. De verklaringen doen ook niet af aan de bevindingen van [persoon B] over de versheid van de scheuren, alsmede dat een horizontale verplaatsing heeft plaatsgevonden ten gevolge van de ontgraving, waarbij er geen aanwijzingen zijn voor een verticale verzakking aan de linkerkant van de garage die al eerder zou hebben plaatsgevonden. Nu (ook in hoger beroep) pas plaats is voor toelating tot (nadere) bewijslevering, wanneer de (in dit geval door [geïntimeerde] ) gestelde feiten mede in het licht van het reeds aanwezige bewijsmateriaal (waaronder het rapport van [persoon B] ) voldoende gemotiveerd betwist zijn, wordt het bewijsaanbod van [appellant] niet gehonoreerd.
3.22.
Het hof komt tot de conclusie dat [geïntimeerde] , mede op grond van het rapport van [persoon B] , gemotiveerd en overtuigend heeft aangetoond dat de grondwerkzaamheden van [appellant] tot verplaatsing van de garage van [geïntimeerde] hebben geleid. De grieven 5 en 6 worden verworpen.
Hoogte schadevergoeding
3.23.
[geïntimeerde] heeft in grief 7 betoogt dat de kantonrechter [appellant] ten onrechte heeft veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding op basis van de begroting van [persoon B] .
3.24.
Het betoog van [appellant] dat er gegronde redenen zijn de schade ten gevolge van de scheurvorming in ieder geval gedeeltelijk voor rekening van [geïntimeerde] te laten, wordt door het hof verworpen. Zijn stelling dat de garage, zoals hij meent af te leiden uit het rapport van [yyy] , is behept met inherente zwakheden en bouwfouten, ten gevolge waarvan de schade (gedeeltelijk) voor rekening van [geïntimeerde] komt, is ongegrond. Nu niet is komen vast te staan dat de schade waarvan [geïntimeerde] thans vergoeding vordert een andere oorzaak heeft dan de werkzaamheden van [appellant] en dus niet (mede) een gevolg is van een omstandigheid die aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend, is voor vermindering van de vergoedingsplicht geen grond. De toerekeningsmaatstaf van art. 6:101 jo. 6:98 BWBW leidt dus niet tot een beperking van de aansprakelijkheid van [appellant] .
3.25.
Het hof begroot de schade, evenals de kantonrechter, overeenkomstig de raming van [persoon B] (pagina 26 rapport). [persoon A] (en in navolging daarvan, [persoon B] ) heeft begroot tegen welke kosten herstel kan worden uitgevoerd. [persoon A] heeft ook de opslag (verhoging) toegelicht: het kostenniveau in de bouwwereld wordt door conjuncturele invloeden bepaald en herstelwerk wordt te allen tijde door andere aannemers als "besmet" ervaren. Dat de gehanteerde opslagen niet gangbaar zijn, is door [appellant] niet onderbouwd. Zijn stelling dat hij meent de schade zelf goedkoper te kunnen herstellen is niet relevant, los nog van de vraag of dit thans nog van [geïntimeerde] – die dit niet wenst - in redelijkheid kan worden verlangd. Van de omstandigheid, tot slot, dat [geïntimeerde] (volgens [appellant] ) de schade nog immer niet heeft laten herstellen wordt bij de vaststelling daarvan geabstraheerd.
3.26.
De herstelkosten van € 7.974,88 (incl. BTW) worden derhalve toegewezen, evenals de opslagkosten van € 900,- (incl. BTW).
2.27.
Om haar vordering te onderbouwen en aansprakelijkheid van [appellant] aan te tonen heeft [geïntimeerde] expertisekosten moeten maken die voor vergoeding in aanmerking komen. De kosten van [zzz] Bouwpathologie bedragen € 970,52 euro voor de rapportage (productie 3 bij dagvaarding). Daarnaast zijn er gedurende een bepaalde periode scheurmeters geplaatst om de schade te monitoren en om zeker te weten dat er structureel herstel kan plaatsvinden. Deze kosten, € 441,14 euro (productie 3 bij conclusie van repliek), kunnen tevens op [appellant] worden verhaald. De totale kosten van de expertise van [zzz] Bouwpathologie bedragen derhalve € 1.411,66 euro (incl. BTW).
3.28.
[appellant] dient voorts op grond van artikel237 Rv eveneens de kosten van het deskundigenbericht van [persoon B] (Mercator Projectmanagement) te betalen, als door [geïntimeerde] voorgeschoten op de voet van artikel 195 Rv, nu uit het deskundigenbericht de aansprakelijkheid van [appellant] voor de door [geïntimeerde] geleden schade blijkt en de vordering van [geïntimeerde] met het deskundigenbericht wordt onderbouwd. De kosten van het deskundigenbericht bedragen € 3.991,49 (incl. BTW), als terecht in eerste aanleg toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
3.29.
De kantonrechter heeft, zo voert [appellant] in het kader van grief 7 terecht aan, ten onrechte een bedrag toegewezen aan buitengerechtelijke incassokosten (door de kantonrechter berekend over de hoofdsom van € 8.374,58) dat is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De onderhavige vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit van toepassing is. Het hof zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de (algemene) norm van artikel 6:96 lid 2 sub c BW. Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] buitengerechtelijke werkzaamheden heeft doen verrichten, die meer behelzen dan een enkele sommatie, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van een dossier. Voorts kan het redelijk worden geacht dat [geïntimeerde] in de gegeven omstandigheden de desbetreffende kosten heeft gemaakt, zodat het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten toewijsbaar is. Het toegewezen bedrag van € 793,70 aan buitengerechtelijke kosten is niet in overeenstemming met aanbeveling II in het Rapport Voor-werk II althans het rapport BGK Integraal 2013. Het hof zal ter zake van buitengerechtelijke kosten forfaitair vaststellen op twee punten van het toepasselijke liquidatietarief in eerste aanleg, derhalve op € 660,00.
3.30
Grief 9 (proceskostenveroordeling in eerste aanleg) heeft naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis, zodat deze grief in het licht van de verwerping van de grieven als hierboven besproken geen afzonderlijke bespreking behoeft.
Slotsom
3.31.
De slotsom luidt dat de grieven van [appellant] falen, met uitzondering van grief 2 en 4, hetgeen evenwel niet tot een ander oordeel leidt. Ook grief 7 slaagt voor zover het de toepassing van het Besluit betreft. Dit leidt er toe dat het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd voor zover er ten onrechte een bedrag van € 793,70 is toegewezen aan buitengerechtelijke incassokosten, nu slechts € 660,00 had dienen te worden toegewezen. Voor het overige zal het vonnis van de kantonrechter worden bekrachtigd.
Proceskosten in hoger beroep
3.32.
Het hof zal [appellant] als de in het hoger beroep grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Deze worden begroot op:
- Griffierecht € 783,-
- Salaris advocaat € 1.214,-,- (1 punt x tarief II)
- Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.175,-
3.33.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4De uitspraak
Het hof:
vernietigt het eindvonnis van 5 juli 2023 van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde onder zaak-/rolnummer 8691828 CV EXPL 20-3753 uitsluitend voor zover het betreft de veroordeling van [appellant] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 793,70;
en op dit onderdeel opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [appellant] in de buitengerechtelijke incassokosten van € 660,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2020 tot aan de dag van voldoening;
bekrachtigt de vonnissen, gewezen onder zaak-/rolnummer 8691828 CV EXPL 20-3753, voor het overige;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de kant van [geïntimeerde] vastgesteld op € 2.175,- te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als [appellant] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 92,- en de kosten van betekening;
veroordeelt [appellant] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest zijn voldaan;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, F.M.T. Quaadvliet en H.A.W. Vermeulen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 januari 2025.
griffier rolraadsheer