RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/1923
(gemachtigde: mr. G.A.J. Purperhart),
en
(gemachtigden: mrs. M. Kappelhof en H.H.L. Krans).
1.1.Met het besluit van 7 maart 2024 (het noodbevel) heeft verweerder verzoeker bevolen om een bericht te verwijderen van Snapchat en andere social media en om na te laten berichten te plaatsen op Snapchat en Instagram. Het bevel gaat met onmiddellijke ingang in en geldt voor de duur van drie maanden. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het noodbevel. Verzoeker vraagt om een voorlopige voorziening waardoor het bestreden besluit wordt geschorst en hij gedurende de bezwaarprocedure berichten mag blijven plaatsen op Snapchat en Instagram.
1.3.Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.4.De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigden van verweerder en [naam 1] namens de recherche.
Spoedeisend belang
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening, gelet op de gevolgen die het noodbevel voor hem heeft. Verzoeker is een artiest en gebruikt social media om zijn muziek te promoten. Door het onder de aandacht brengen van zijn muziek op Snapchat en Instagram, genereert hij luisteraars op Spotify waar hij geld mee verdient. Ook gebruikt hij social media om producten te promoten waar hij geld mee verdient. Op dit moment kan verzoeker geen gebruik maken van Snapchat en Instagram. Op zitting heeft zijn gemachtigde aangevoerd dat verzoeker hierdoor inkomsten misloopt.
Standpunten van partijen
3.1.Verweerder heeft het noodbevel gebaseerd op artikel 175, eerste lid, van de Gemeentewet. Op grond van dit artikel is de burgemeester bevoegd in geval van ernstige vrees voor het ontstaan van ernstige wanordelijkheden alle bevelen te geven die hij ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig acht. Daarbij kan van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften worden afgeweken.
3.2.Verweerder stelt zich op het standpunt dat de wanordelijkheden zich reeds hebben verwezenlijkt. Zij verwijst hiervoor naar het conflict dat is gerelateerd aan de criminele rapgroepen [rapgroep 1] en [rapgroep 2]. Dit conflict is al langere tijd gaande maar is recent geëscaleerd. Er hebben meerdere incidenten plaatsgevonden. In de nacht van 24 op 25 februari 2024 is [naam 2], bekend als [rapper], doodgeschoten. Op 27 en 28 februari 2024 hebben vier explosies plaatsgevonden in Zuidoost, Oost en Noord die volgens verweerder verband houden met het conflict en een reactie zijn op de dodelijke schietpartij. Er is een persoon aangehouden die wordt verdacht [naam 2] te hebben doodgeschoten. De politie neemt aan dat deze verdachte tot de groep [rapgroep 2] behoort. Verzoeker hoort volgens de politie, net als het slachtoffer, tot de groep [rapgroep 1]. Verzoeker heeft na de dood van [naam 2] een bericht geplaatst op Snapchat: “zeg [rapper] geen stress als ik die man zie dan ik schiet die hele clip leeg”n
Dit betekent volgens de politie: “zeg tegen [rapper] ([naam 2]) dat hij geen stress hoeft te hebben. Als ik die man zie schiet ik het hele geweermagazijn leeg”. Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
3.3.Verzoeker meent dat de noodbevelsbevoegdheid van de burgemeester zich niet strekt tot online uitlatingen op privéaccounts van Snapchat en Instagram. Het handhaven van de openbare orde ziet op gedrag dat in het openbaar plaatsvindt, te weten de fysieke wereld. Verzoeker verwijst in dit kader naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 februari 2023.n
ECLI:NL:RBMNE:2023:375.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4.1.Bij de beantwoording van de vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen, weegt de voorzieningenrechter het belang van verzoeker bij de schorsing van het besluit af tegen het belang van de onmiddellijke uitvoering van het besluit. Daarbij telt in belangrijke mate mee of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Als dat niet het geval is en de voorzieningenrechter oordeelt dat het besluit rechtmatig is, is er geen reden om het bestreden besluit te schorsen. Dit rechtmatigheidsoordeel is een voorlopig oordeel. In een eventuele beroepsprocedure is de bodemrechter daar niet aan gebonden.
4.2.De voorzieningenrechter stelt voorop dat zij het in het algemeen aannemelijk acht dat uitlatingen die online worden geplaatst op social media een aanjagende werking kunnen hebben in de fysieke wereld. In de bestuurlijke rapportage is dit door de politie ook met concrete voorbeelden ten aanzien van het conflict tussen [rapgroep 1] en [rapgroep 2] uiteengezet. De voorzieningenrechter ziet daarom ook het belang in voor verweerder om online te kunnen ingrijpen en begrijpt uit openbare bronnen dat meerdere burgemeesters de wetgever hebben verzocht om hen bevoegdheden toe te kennen waarmee zij preventief kunnen optreden tegen online oproepen tot rellen en geweld.n
Zie het opiniestuk in het NRC van 7 februari 2023 van 41 burgemeesters getiteld: “Geef ons instrumenten om rellen te voorkomen”. Dit opiniestuk is onder andere verschenen naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 februari 2023 (zie vorige voetnoot) waarin de rechtbank oordeelde dat de burgemeester niet bevoegd was een last onder dwangsom op te leggen die inhoudt dat iemand zich moet onthouden van online uitlatingen (op social media) die zijn te kwalificeren als het door uitdagend gedrag aanleiding geven tot wanordelijkheden.
4.3.In de onderhavige procedure speelt de vraag of verweerder preventief online kan optreden op grond van de noodbevelsbevoegdheid ex artikel 175 van de Gemeentewet. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze rechtsvraag zich niet leent voor behandeling in een voorlopige voorzieningenprocedure. Het betreft een complexe rechtsvraag die niet eerder is beantwoord. Verschillende wetenschappers plaatsen hier kritische kanttekeningen bij.n
Zie de position papers die zijn ingediend ten behoeve van een rondetafelgesprek ‘Online gebiedsverbod’ op 11 april 2023, georganiseerd door de vaste commissie Digitale Zaken van de Tweede Kamer. Zie tevens de annotatie van M.A.D.W. de Jong bij de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, JB 2023/105 en de annotatie van A.E. Schilder & J.G. Brouwer, AB 2023/82.
4.4.Los van de vraag of het online verbod kan worden gegrond op de noodbevelsbevoegdheid van de burgemeester, overweegt de voorzieningenrechter in deze concrete zaak nog als volgt. De voorzieningenrechter is, met verzoeker, vooralsnog van oordeel dat verweerder de causaliteit tussen de berichten die verzoeker op social media heeft geplaatst en de ernstige wanordelijkheden onvoldoende heeft onderbouwd. Hoewel uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat online uitlatingen in het conflict tussen [rapgroep 1] en [rapgroep 2] tot ernstige wanordelijkheden in de fysieke wereld hebben geleid, is niet onderbouwd dat de berichten van verzoeker hierin een rol hebben gespeeld. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat is gekozen om verzoeker een maatregel op te leggen, en niet iemand anders die wordt gelinkt aan [rapgroep 1] of [rapgroep 2], omdat hij degene is die een bericht heeft geplaatst na het overlijden van [naam 2]. Het enkel plaatsen van een bericht na het overlijden van [naam 2], dat is gekopieerd door anderen en verder is verspreid, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om aan te nemen dat juist verzoekers berichten aanjagend werken. Hierbij speelt een rol dat het bericht van verzoeker niet expliciet een oproep aan anderen bevat om geweld te gebruiken tegen leden van [rapgroep 2] en dat verzoeker verder niet voorkomt in het dossier. Zo is hij bijvoorbeeld niet vervolgd of verdachte in één van de procedures die verband houden met het conflict tussen [rapgroep 1] en [rapgroep 2]. Verweerder stelt nog dat naar aanleiding van het bericht, verzoekers naam online wordt genoemd in speculaties ten aanzien van wraakacties. Ook dit is onvoldoende, het noemen van verzoekers naam door anderen kan hem immers niet worden aangerekend. Voorgaande neemt niet weg dat de voorzieningenrechter met verweerder van oordeel is dat verzoekers bericht kort na het overlijden van [naam 2] schokkend is. Eiser onderkent dit ook en stelt dat hij het in een opwelling van emotie heeft geplaatst en niet de bedoeling heeft gehad olie op het vuur te gooien. Hoe schokkend het bericht ook is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er andere middelen zijn om hiertegen op te treden, namelijk via het strafrecht.n
Bijvoorbeeld via vervolging wegens opruiing (art. 131 van het Wetboek van Strafrecht) of via een bevel van de officier van justitie, na voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris, om berichten van social media te halen (artikel 54a Wetboek van Strafrecht jo. artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering). Waarbij moet worden opgemerkt dat verweerder meent dat het hier slechts gaat om het beperken van een middel van verspreiding, en dit volgens jurisprudentie is toegestaan indien er voldoende gebruik van enige betekenis van een uitingsmiddel overblijft. Dit is volgens verweerder het geval omdat het verbod zich enkel strekt tot twee social media kanalen. Zoals in r.ov. 4.3. overwogen, is dit een vraag die zich niet leent voor deze voorlopige voorzieningenprocedure.
4.5.Voor de vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen, zal de voorzieningenrechter een belangenafweging maken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval het belang van verzoeker om berichten op social media te plaatsen zwaarder weegt dan het belang van verweerder om de openbare orde te handhaven. Hierbij speelt mee dat het onduidelijk is of het noodbevel juridisch standhoudt en bovendien vooralsnog onvoldoende is onderbouwd dat de berichten van verzoeker een reële vrees op wanordelijkheden met zich meebrengen. Dit terwijl aan de andere kant een vergaande maatregel wordt opgelegd aan verzoeker met grote gevolgen, waaronder een beperking van zijn fundamenteel recht op vrijheid van meningsuiting. Nu de voorzieningenrechter aan het belang van verzoeker een zwaarder gewicht toekent, zal de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen als hieronder is omschreven.
5.1.Het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden toegewezen en het besluit zal worden geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Dit betekent dat verzoeker berichten mag plaatsen op Snapchat en Instagram gedurende de bezwaarprocedure.
Omdat het verzoek wordt toegewezen, moet verweerder het betaalde griffierecht aan verzoeker vergoeden. Ook zal de voorzieningenrechter verweerder veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,- aan verzoeker te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2024.
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: