RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 22/3971 en 22/3969
(gemachtigde: mr. B. de Jong),
en
(gemachtigde: mr. A. Smits).
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting van 17 juni 2022 (ROT 22/3969) en de aanmaning van 20 juli 2022 (ROT 22/3971).
1.1.Met de uitspraken op bezwaar van 18 en 19 augustus 2022 heeft de heffings- en invorderingsambtenaar de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.
1.2.De heffings- en invorderingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.3.De rechtbank heeft de beroepen op 3 oktober 2023 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.
2. De rechtbank beoordeelt het opleggen van de naheffingsaanslag en het in rekening brengen van aanmaningskosten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep tegen de naheffingsaanslag ongegrond is en het beroep tegen de aanmaning gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft de heffings- en invorderingsambtenaar de hoorplicht geschonden?
4. Eiseres betoogt dat de heffings- en invorderingsambtenaar de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank oordeelt anders. Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, wordt een belanghebbende die bezwaar heeft gemaakt tegen een belastingaanslag, in afwijking van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gehoord op zijn verzoek. In de bezwaarschriften heeft eiseres niet verzocht te worden gehoord. De heffings- en invorderingsambtenaar was daarom niet verplicht haar te horen. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de heffingsambtenaar terecht € 2,- parkeerbelasting nageheven?
5.1.Eiseres betoogt dat de heffingsambtenaar minder dan € 2,- parkeerbelasting had moeten naheffen. Eiseres heeft in de parkeerapp per ongeluk een verkeerde zone aangegeven, waardoor zij € 1,77 per uur heeft betaald in plaats van het tarief van € 2,- per uur dat gold in de zone waar zij had geparkeerd. De heffingsambtenaar had slechts het verschil van € 0,23 mogen naheffen.
5.2.Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar terecht € 2,- parkeerbelasting nageheven. Niet in geschil is dat de heffingsambtenaar bevoegd was een naheffingsaanslag op te leggen, omdat onvoldoende parkeerbelasting is betaald. Op grond van artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet, wordt een naheffingsaanslag parkeerbelasting berekend over een parkeerduur van een uur, tenzij aannemelijk is dat het voertuig langer dan een uur zonder betaling geparkeerd heeft gestaan. In de Verordening parkeerbelastingen Schiedam 2021 is van die bepaling niet afgeweken. De heffingsambtenaar heeft daarom terecht de nageheven parkeerbelasting berekend over een parkeerduur van een uur.n
HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:56.
Heeft de invorderingsambtenaar terecht aanmaningskosten in rekening gebracht?
6.
6.1.Eiseres betoogt dat de invorderingsambtenaar geen aanmaningskosten in rekening mocht brengen, omdat zij de naheffingsaanslag niet heeft ontvangen.
6.2.De invorderingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat artikel 7, tweede lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (Kostenwet) in de weg staat aan het betoog van eiseres. In dat artikel is bepaald dat een beroepschrift niet kan zijn gebaseerd op de stelling dat het aanslagbiljet niet is ontvangen, tenzij degene van wie de kosten worden gevorderd aannemelijk maakt dat ontvangst redelijkerwijs moet worden betwijfeld.
6.3.De rechtbank stelt voorop dat de invorderingsambtenaar een aanmaning toestuurt wanneer de schuldenaar in verzuim is. Hij kan daarvoor een vergoeding in rekening brengen. De schuldenaar is in verzuim als hij niet binnen de voorgeschreven termijn heeft betaald. Die termijn is opgenomen in de naheffingsaanslag, die pas in werking treedt nadat de naheffingsaanslag is bekendgemaakt door toezending aan de belanghebbende.n
Dit volgt uit de artikelen 3:40, 3:41, eerste lid, 4:97, 4:112, eerste lid en 4:113, eerste lid, van de Awb. HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:785, r.o. 4.5.1.
6.4.Naar het oordeel van de rechtbank heeft de invorderingsambtenaar ten onrechte aanmaningskosten in rekening gebracht. De invorderingsambtenaar heeft de verzending van de naheffingsaanslag niet aannemelijk gemaakt. De invorderingsambtenaar heeft geen verzendadministratie overgelegd. Anders dan de invorderingsambtenaar stelt, draagt het feit dat eiseres de aanmaning wel heeft ontvangen, niet bij aan de aannemelijkheid van de verzending van de naheffingsaanslag. Omdat de naheffingsaanslag niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, was eiseres niet in verzuim toen de invorderingsambtenaar de aanmaning toestuurde. De beroepsgrond slaagt.
7. Het beroep in de zaak ROT 22/3969 is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. De heffingsambtenaar hoeft in deze zaak het door eiseres betaalde griffierecht niet te vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling is in deze zaak geen aanleiding.
8. Het beroep in de zaak ROT 22/3971 is gegrond, omdat de uitspraak op bezwaar is genomen in strijd met de artikelen 4:112, eerste lid, en 4:113, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar vernietigen en zelf in de zaak voorzien door de aanmaning te vernietigen met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb.
9. Omdat het beroep in de zaak ROT 22/3971 gegrond is, moet de invorderingsambtenaar het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
10.1.De rechtbank veroordeelt de invorderingsambtenaar in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 566,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 296, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 0,5). De zaak is van licht gewicht, omdat het gaat over parkeerbelasting.n
Hof Den Haag 11 november 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2131.
10.2.Eiseres heeft verzocht om vergoeding van wettelijke rente over het bedrag van de proceskosten. Voor wettelijke rente over een door de rechter uitgesproken veroordeling tot vergoeding van proceskosten geldt het uitgangspunt dat de uiterste datum waarop aan deze veroordeling moet zijn voldaan, is gelegen vier weken na de datum waarop de uitspraak waarin de veroordeling is opgenomen, is gedaan.n
HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.
De rechtbank:
- verklaart het beroep in de zaak ROT 22/3969 ongegrond;
- verklaart het beroep in de zaak ROT 22/3971 gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar van 19 augustus 2022;
- vernietigt de aanmaning van 20 juli 2022;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de invorderingsambtenaar het door eiseres betaalde griffierecht van € 50,- moet vergoeden;
- veroordeelt de invorderingsambtenaar in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
€ 566,50;
- bepaalt dat de invorderingsambtenaar de wettelijke rente verschuldigd is aan eiseres over het bedrag van de proceskosten vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.J. Veth, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2023.
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.