Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBZWB:2022:7889

23 December 2022

Jurisprudentie – Uitspraken

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/218133-22

vonnis van de meervoudige kamer van 23 december 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats]

wonende te [woonadres]

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Dordrecht

raadsman mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda

Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 december 2022, waarbij de officier van justitie, mr. M. Nieuwenhuis, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Hierbij heeft mr. A.C. Tönis waargenomen voor mr. Van Rijsbergen en is verdachte via een videoverbinding gehoord.

De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte amfetamine, MDMA en cocaïne heeft vervoerd, dan wel aanwezig heeft gehad en een boksbeugel in zijn bezit heeft gehad.

De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feit 1 tenlastegelegde feiten heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte ter zitting. De officier van justitie gaat daarbij uit van de door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) geteste hoeveelheden amfetamine, MDMA en cocaïne en heeft vrijspraak gevorderd voor de onder de laatste drie gedachtestreepjes van feit 1 tenlastegelegde stoffen (2CB, LSD en Ketamine) aangezien in het dossier een nadere onderbouwing van het NFI ontbreekt ten aanzien van deze stoffen. Het onder feit 2 tenlastegelegde kan eveneens wettig en overtuigend worden bewezen op grond van de bekennende verklaring van verdachte ter zitting en de bewijsmiddelen in het dossier.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging heeft hierbij wel bepleit dat er geen wettig en overtuigend bewijs is voor het vervoeren van 2CB, LSD en Ketamine en voor de handel in harddrugs door verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

Aangezien verdachte de tenlastegelegde feiten heeft bekend en er geen vrijspraak is bepleit, wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2022228789 van de politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 77.

De rechtbank acht feit 1, zoals hierna onder 4.4 omschreven, wettig en overtuigend bewezen op grond van:

  • De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter zitting d.d. 12 december 2022;

  • Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] d.d. 28 augustus 2022 opgenomen op pagina’s 11 t/m 13;

  • Het proces-verbaal bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] d.d. 6 september 2022 op pagina’s 42 t/m 45;

  • Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] d.d. 30 augustus 2022 op pagina’s 34 en 35;

  • De rapporten NFI betreffende MDMA, cocaïne en amfetamine op pagina’s 46 t/m 50.

De rechtbank volgt de verdediging in het standpunt dat enkel, zoals verdachte ook heeft bekend, het vervoeren van harddrugs wettig en overtuigend kan worden bewezen. Er zijn geen bewijsmiddelen in het dossier voorhanden die wijzen op de handel in harddrugs.

De rechtbank acht feit 2, zoals hierna onder 4.4 omschreven, wettig en overtuigend bewezen op grond van:

  • De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter zitting d.d. 12 december 2022;

  • Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] d.d. 28 augustus 2022 opgenomen op pagina’s 11 t/m 13 van voornoemd einddossier;

  • Het proces-verbaal van bevindingen WWM van verbalisant [verbalisant 5] d.d. 29 augustus 2022 opgenomen op pagina’s 54 en 55 van voornoemd einddossier.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1

op 28 augustus 2022 te Breda opzettelijk heeft vervoerd

ongeveer 330 gram, van een materiaal bevattende amfetamine en

ongeveer 324 gram, van een materiaal bevattende MDMA, en

ongeveer 89 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, en

ongeveer 119 gram, van een materiaal bevattende MDMA,

zijnde amfetamine en MDMA en cocaïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2

op 28 augustus 2022 te Breda

een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten

een boksbeugel voorhanden heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 11 maanden met aftrek van het reeds door verdachte ondergane voorarrest. De officier van justitie houdt hierbij rekening met de OM-richtlijnen voor deze type delicten en de recidive van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte neemt zijn verantwoordelijkheid en is voornemens op het rechte pad te blijven als hij weer vrijkomt. De verdediging verzoekt onder verwijzing naar de oriëntatiepunten van de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf van vier maanden op te leggen plus een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met eventueel bijzondere voorwaarden.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van verschillende soorten harddrugs alsmede het bezit van een boksbeugel. Bij de doorzoeking van de auto van verdachte bleek dat hij bijna een kilo harddrugs in zijn auto had liggen. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs een bedreiging vormen voor de volksgezondheid, gelet op het verslavende karakter. Bovendien gaat de handel in harddrugs veelal gepaard met verschillende vormen van criminaliteit, geweldsdelicten en illegale geldstromen, waarbij de drugshandel een belangrijke schakel vormt in de keten van criminele ondermijnende activiteiten die de samenleving ernstig ontwrichten. Verdachte vervulde in deze keten een rol door harddrugs te vervoeren. Hij heeft enkel gehandeld uit winstbejag zonder zich om de gevolgen voor de uiteindelijke afnemers van harddrugs en de samenleving te bekommeren.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging in strafverzwarende zin rekening met het strafblad van verdachte. Een eerdere veroordeling op 15 juli 2020 voor onder andere harddrugsfeiten, waarbij aan verdachte een gevangenisstraf is opgelegd van 18 maanden, heeft hem er immers niet van weerhouden deze delicten nu te plegen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit waarbij in de auto waarin verdachte reed bijna een kilo aan verschillende soorten harddrugs is aangetroffen, alsmede de recidive aan de zijde van verdachte, er geen ruimte is voor een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Hierbij is rekening gehouden met de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht geformuleerde oriëntatiepunten alsmede met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Gezien het feit dat een eerder aan verdachte opgelegde gevangenisstraf van 18 maanden geen afschrikwekkend effect op verdachte heeft gehad, zal de rechtbank geen voorwaardelijk deel opleggen zoals bepleit door de verdediging. De rechtbank ziet niet in dat een (beperkte) voorwaardelijke straf door verdachte zal worden gezien als een daadwerkelijke stok achter de deur. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden passend en noodzakelijk is, met aftrek van het reeds ondergane voorarrest.

Het beslag

De onttrekking aan het verkeer

Gebleken is dat het feit is begaan met betrekking tot de voorwerpen, genoemd onder de nummers 1 t/m 10 en 15 t/m 16 van de beslaglijst. Verder zijn de voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de voorwerpen vermeld op de beslaglijst onder de nummers 11 t/m 14 aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36d, 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

de voorwerpen vermeld op de aangehechte beslaglijst onder de nummers 1 t/m 10 en 15 t/m 16;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

de voorwerpen vermeld op de aangehechte beslaglijst onder de nummers 11 t/m 14;

Voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk is aan het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde straf.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Donders, voorzitter, mr. G.M.J. Kok en mr. S.W.M. Speekenbrink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.G.E. van Dooren, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 december 2022.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Artikel delen