Rechtsbijstand
Op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) kan iemand een advocaat toegewezen krijgen. Als hiervan sprake is, is de noodzaak van de rechtsbijstand een gegeven. Er geldt dan een inkomensafhankelijke eigen bijdrage. Volgens de CRvB geldt de Wrb wel als een voorliggende voorziening voor de kosten van rechtsbijstand, maar niet als een voorliggende voorziening voor de eigen bijdrage. Dit betekent dat voor deze eigen bijdrage bijzondere bijstand mogelijk is (zie ook uitspraak CRvB 31 oktober 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1426). De CRvB wijkt hierbij af van de redenatie zoals zij die ten aanzien van de eigen bijdrage bij medische kosten toepast. Dan wordt gesteld dat weliswaar niet alle kosten worden vergoed maar dat dit het gevolg is van een bewuste keuze van de wetgever (zie art. 15 lid 1 Pw tweede zin). Dit is opmerkelijk omdat de eigen bijdrage op grond van de Wrb ook het gevolg is van een bewuste keuze van de wetgever. Er is namelijk sprake van een inkomensafhankelijke voorziening met de bewuste keuze dat er ook een eigen bijdrage geldt als het inkomen op bijstandsniveau ligt. Waarom de CRvB ten aanzien van deze eigen bijdrage er dan toch een andere redenatie op nahoudt valt dus alleen te constateren, maar niet te verklaren.
Op de eigen bijdrage is een korting mogelijk van € 61 (2024) als eerst rechtshulp is gevraagd aan het Juridisch Loket. Doel hiervan is om de kosten van rechtsbijstand beheersbaar te houden. De belanghebbende wordt hierdoor geprikkeld een afweging te maken tussen het belang om het probleem aan een advocaat voor te leggen en de kosten van rechtsbijstand anderzijds. Het zonder meer verstrekken van bijzondere bijstand past daar niet bij. De gemeente kan daarom eisen dat een belanghebbende een diagnosedocument van het Juridisch Loket overhandigt waaruit blijkt dat de kosten voor een advocaat ook noodzakelijk zijn. Als dit wordt nagelaten bestaat voor deze meerkosten geen recht op bijzondere bijstand omdat deze kosten dan als niet noodzakelijk worden aangemerkt (zie CRvB 23 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:595).
De Wrb geldt als een voorliggende voorziening. Dit betekent dat als de Wrb de kosten als niet noodzakelijk aanmerkt, het college ook niet bevoegd is om wel bijzondere bijstand te verstrekken. In de situatie dat de Wrb de aanvraag voor de kosten van een advocaat heeft afgewezen omdat deze enkel was ingehuurd voor het doen van een aanvraag in het kader van de WSNP, dan is het college hier ook aan gehouden en op grond van art. 15 lid 1 Pw niet bevoegd om voor deze kosten bijzondere bijstand te verlenen (zie CRvB 10 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3897).
Een vergelijkbare situatie deed zich voor toen de Wrb de aanvraag voor de kosten van een advocaat had afgewezen omdat het belang minder was dan € 500. Ook in die situatie is er sprake van een bewuste keuze van een voorliggende voorziening om de kosten als niet noodzakelijk aan te merken zodat er ook geen recht op bijzondere bijstand bestaat (zie CRvB 25 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:711).
Op de vraag wanneer de kosten voor de eigen bijdrage van rechtsbijstand opkomen, heeft de CRvB geantwoord dat dit is op de dag dat de advocaat het besluit van de toevoeging heeft ontvangen. Het antwoord op deze vraag is namelijk van belang voor de beoordeling of de bijstand tijdig is aangevraagd. Als de bijstand niet tijdig wordt aangevraagd kan deze worden afgewezen op grond van art. 44 lid 1 Pw. In dit geval is de aanvraag tijdig als deze wordt gedaan voor het moment dat de advocaat het besluit van de toevoeging heeft ontvangen (zie CRvB 12 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2714).
Kinderopvang
Voor kinderopvang geldt de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang (Wet IKK) als een voorliggende voorziening.
Voor situaties waarin de Wet IIK als voorliggende voorziening niet voorziet maar waar op grond van sociaal/medische indicatie wel kinderopvang noodzakelijk is, kan bijzondere bijstand worden verstrekt. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn om het gezin tijdelijk te ontlasten en/of ter bescherming en ontwikkeling van het kind zelf.
Studiekosten minderjarig kind
Voor de schoolkosten van een minderjarig kind geldt het kindgebonden budget als een passende en toereikende voorliggende voorziening. Op grond van art. 15 lid 1 Pw bestaat er dan geen recht op bijzondere bijstand. Zie ook uitspraak CRvB 16 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3431.
Begrafeniskosten
De kosten van een begrafenis worden niet gerekend tot de kosten van de overledene, maar tot de kosten van de erfgenamen. Als uitgangspunt moeten deze kosten dan ook worden voldaan uit de begrafenisverzekering en de nalatenschap. Mocht deze niet toereikend zijn voor de volledige betaling van deze kosten, dan wordt het tekort toegerekend aan de erfgenamen. Dit betekent dat iedere erfgenaam alleen voor zijn deel een beroep kan doen op de bijzondere bijstand. Of en hoeveel bijstand wordt toegekend, is onder meer afhankelijk van de in aanmerking te nemen kosten (iedere gemeente kan hiervoor een maximumbedrag vaststellen), de hoogte van de nalatenschap (inclusief overlijdensverzekering) en de eventuele draagkracht van de erfgenaam.
Voorbeeld
Vader overlijdt en moeder is enkele jaren eerder overleden. De begrafenis kost € 7.000 en de nalatenschap bedraagt € 4.000. Er zijn drie kinderen (erfgenamen). Kind A. is 50 jaar, woont in Amsterdam en heeft een modaal inkomen. Kind B. is 45 jaar, woont in Blaricum en heeft ook een modaal inkomen. Kind C. is 40 jaar, woont in Coevorden en leeft van een bijstandsuitkering. Het tekort bedraagt € 3.000 en wordt toegerekend aan de drie kinderen. Dit is dus € 1.000 per kind. Alle drie erfgenamen (kinderen) hebben de mogelijkheid om voor dit bedrag in hun eigen woonplaats bijzondere bijstand aan te vragen. Gelet op het inkomen van kind A. en kind B., wordt de aanvraag op grond van aanwezige draagkracht naar alle waarschijnlijkheid afgewezen. De aanvraag van kind C. wordt waarschijnlijk toegekend. In die situatie is er namelijk sprake van bijzondere kosten die niet uit de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.