Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

CRvB 23 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8121

De aanvraag voor de huurschuld is volgens de CRvB terecht afgewezen gelet op art. 13 lid 1 aanhef en onder f (nu g) WWB. Daarnaast was het college op grond van art. 49 niet bevoegd om bijstand te verstrekken, omdat er geen sprake is van een afgewezen aanvraag om een schuldsaneringskrediet dan wel zeer dringende redenen. De schuldenlast zelf kan in beginsel niet worden aangemerkt als een dringende reden.

CRvB 27 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1880

Bij een gezamenlijke huishouding geldt de WSF 2000 alleen als een voorliggende voorziening indien beiden aanspraak zouden hebben op studiefinanciering. Nu dit niet het geval is, kan de studerende partner niet worden uitgesloten van het recht op bijstand en dienen zij voor de WWB als gehuwd te worden beschouwd.

CRvB 6 november 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB7267

Bij elektronische detentie is weliswaar sprake van vrijheidsontneming, maar aangezien het onderscheid ten aanzien van het recht tussen elektronisch onder toezicht gestelden en elektronisch gedetineerden in strijd is met art. 26 IVBPR, dient om die reden art. 13 lid 1 onder a WWB bij elektronische detentie buiten toepassing te worden gelaten.

CRvB 19 februari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC5813

Het feit dat belanghebbende al 34 weken zwanger was, desondanks is afgereisd naar Jamaica en in verband met de bevalling niet binnen vier weken terug kon keren naar Nederland, maakt niet dat er sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in art. 16 lid 1 WWB.

CRvB 11 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC7448

De aanvraag om bijstand naar de norm voor gehuwden kan niet enkel worden afgewezen onder verwijzing naar een GBA-code waaruit blijkt dat belanghebbende niet over een verblijfsvergunning beschikt. Naar het oordeel van de CRvB heeft het college een eigen onderzoeksplicht.

CRvB 18 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC7053

Afwijzing bijzondere bijstand voor zittend ziekenvervoer. Geen recht op bijstand als de kosten door de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

CRvB 22 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD8764

Belanghebbende verbleef ter behandeling van zijn drugsverslaving in de Castle Craig Clinic (in Schotland). Op grond van art. 11 en 13 WWB (territorialiteitsbeginsel) zou er geen recht op bijstand bestaan. Hierdoor zou er sprake zijn van een ongerechtvaardigde belemmering in het vrij verkeer van diensten zoals geregeld in art. 49 Richtlijn 2004/38/EG. Om strijdigheid met deze Richtlijn op te heffen heeft de Raad bepaald dat er op grond van art. 16 WWB wel bijstand moest worden verleend.

CRvB 13 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM2959

Indien binnen de voorliggende voorziening, in dit geval de Zvw, het gevraagde in het algemeen of in een specifieke situatie niet noodzakelijk is geacht, dient daarbij voor de toepassing van de WWB te worden aangesloten. Er is door de wetgever een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van de kosten van brillenglazen, waardoor bijzondere bijstand niet aan de orde is.

CRvB 27 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3307

De aanvraag voor een wasmachine en een koelkast is afgewezen omdat de aanvrager hiervoor een lening zou kunnen aangaan bij de gemeentelijke kredietbank. In hoger beroep stelt de aanvrager dat de gemeente onvoldoende heeft onderzocht of de aanvrager wel een krediet kan krijgen bij de gemeentelijke kredietbank. De CRvB is echter van oordeel dat het op de weg ligt van de aanvrager van bijzondere bijstand om aannemelijk te maken dat een voorliggende voorziening niet passend en toereikend is. Dit betekent dat de bewijslast of een voorliggende voorziening passend en toereikend is niet bij de gemeente ligt, maar bij de aanvrager.

HvJ EU 8 maart 2011, ECLI:EU:C:2011:124

In het Zambrano-arrest is door het Hof bepaald dat aan de ouders die beiden afkomstig zijn van buiten de EU (Colombia) het verblijfsrecht niet kan worden ontzegd in de lidstaat (België) waar de kinderen verblijven en waarvan de kinderen de nationaliteit bezitten, omdat anders de kinderen het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van EU-burger ontleende rechten wordt ontzegd.

CRvB 22 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0142

Voor toepassing van art. 13 lid 1 Pw dient de dag van vertrek uit Nederland te tellen als een dag waarop in Nederland is verbleven en de dag van terugkomst in Nederland als een dag waarop in het buitenland is verbleven (ongeacht het aantal uren).

CRvB 26 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3795

Belanghebbende en haar kinderen zijn geen vreemdelingen als bedoeld in art. 11 lid 2 en 3 Pw en hebben dan op grond van art. 16 lid 2 Pw geen recht op bijstand zelfs niet als er sprake is van zeer dringende redenen.

In de koppelingswetgeving wordt een onderscheid naar nationaliteit gemaakt dat verenigbaar is met de non-discriminatievoorschriften die in internationale verdragen staan.

CRvB 18 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3855

Op 18 maart 2013 heeft de CRvB meerdere uitspraken gedaan waarin wordt bepaald dat het enkele feit dat een EU-onderdaan staat geregistreerd onder verblijfscode 30 of 38 onvoldoende is om aan te nemen dat hij niet rechtmatig in Nederland verblijft. Van rechtmatig verblijf moet worden uitgegaan zolang door de IND geen besluit is genomen over de beëindiging van het verblijfsrecht.

CRvB 26 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5578

De basistoelage die op grond van hoofdstuk 4 WTOS voor de kosten van het levensonderhoud wordt verstrekt, is door de wetgever beoogd als een passende en toereikende voorliggende voorziening voor de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van art. 15 lid 1 WWB. De wetgever heeft dan ook binnen de WTOS de bewuste keuze gemaakt dat het niet noodzakelijk is de kosten te vergoeden die niet door de basistoelage worden gedekt. Bij toepassing van de WWB dient bij die keuze te worden aangesloten.

CRvB 7 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3351

De CRvB oordeelt dat de uitsluitingsgrond van art. 13 lid 2 onderdeel c WWB niet van toepassing is als belanghebbende vanaf datum melding geen uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen omdat deelname aan dat onderwijs niet mogelijk was.

De uitsluitingsgrond van art. 13 lid 2 onderdeel c WWB is pas van toepassing vanaf de datum waarop deelname aan uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs mogelijk is.

HvJ EU 11 november 2014, ECLI:EU:C:2014:2358

De EU-burger die niet over voldoende middelen beschikt om in aanmerking te komen voor een verblijfsrecht, die hier korter dan vijf jaar verblijft en hier naar toegekomen is met als doel sociale bijstand te ontvangen, heeft geen verblijfsrecht en kan worden uitgesloten van het recht op sociale voorzieningen (arrest Dano).

CRvB 17 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:678

Als het stopzetten van de neurofeedbackbehandelingen kan leiden tot ernstige depressieve klachten met een aanzienlijk suïciderisico is er sprake van een acute noodsituatie waardoor op grond van art. 16 Pw wel bijstand moet worden verleend.

CRvB 2 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1701

Als een jongere in plaats van een BOL-opleiding een BBL-opleiding volgt waardoor er geen aanspraak op studiefinanciering bestaat, dan is de uitsluitingsgrond van art. 13 lid 2 onderdeel c Pw niet van toepassing.

CRvB 2 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1747

Als een jongere om medische redenen met zijn studie stopt maar deze medische redenen onvoldoende aantoont, dan blijft de uitsluitingsgrond van art. 13 lid 2 onderdeel c Pw van toepassing ook al bestaat er daardoor geen aanspraak meer op studiefinanciering.

CRvB 2 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1884

Als een jongere stopt met zijn studie zonder dat medische redenen zijn aangetoond, dan blijft de uitsluitingsgrond van art. 13 lid 2 onderdeel c Pw van toepassing.

Bij aanspraak op studiefinanciering gaat het erom of het volgen van het uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs op zichzelf aanspraak geeft op studiefinanciering, niet of belanghebbende in concreto die aanspraak geldend kan maken.

Rechtbank Den Haag 26 juni 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:7297

Een niet-werkzoekende EU-onderdaan heeft na drie maanden (vrije termijn) wel recht op Pw.

CRvB 30 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2118

WSF 2000 geldt als een voorliggende voorziening vanaf de datum waarop aanspraak op studiefinanciering ontstaat. Als een belanghebbende studiefinanciering te laat aanvraagt, dan komt dat voor zijn rekening.

HvJ EU 15 september 2015, ECLI:EU:C:2015:597

Een lidstaat (Nederland) mag een EU-burger die naar Nederland is gekomen om werk te zoeken en een reële kans maakt om werk te vinden uitsluiten van bepaalde niet op premie- of bijdragebetaling berustende sociale uitkeringen. De EU-burger blijft dan wel zijn verblijfsrecht houden (op grond van art. 14 lid 4 onder b van de Richtlijn 2004/38/EG) maar dit verblijfsrecht geeft geen recht op bijstand.

CRvB 22 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4831

Als een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht wordt ingetrokken, dan is het college wel bevoegd om het recht op bijstand in te trekken vanaf de datum waarop het inreisverbod is opgelegd maar niet met terugwerkende kracht vanaf de datum dat de verblijfsvergunning is ingetrokken. Dit is in strijd met het beginsel van materiële rechtszekerheid, inhoudende dat een ten tijde van de betaling rechtmatig ontvangen bijstand nadien in beginsel niet kan worden ingetrokken en/of teruggevorderd. Van belang is dat de belanghebbende niet redelijkerwijs heeft kunnen begrijpen dat bijstand ten onrechte werd verleend.

HvJ EU 25 februari 2016, ECLI:EU:C:2016:114

Tijdens verblijf van de eerste drie maanden in Nederland bestaat er géén recht op bijstand op grond van art. 24 lid 2 van de Richtlijn 2004/38/EG (arrest Garcia-Nieto).

CRvB 5 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1219

Het recht op bijstand van de jongere is ingetrokken op de grond dat ondubbelzinnig is gebleken dat belanghebbende de aan de bijstand verbonden verplichtingen niet wil nakomen (art. 13 lid 2 sub d Pw).

Zo heeft belanghebbende zich vaak ziek gemeld zonder medische hulp te zoeken, waartoe hij wel was verplicht, is hij regelmatig zonder afmelding niet of te laat op het traject verschenen en is hij regelmatig zonder zich af te melden niet verschenen op afspraken die verband hielden met het traject. Belanghebbende heeft feitelijk niet of nauwelijks aan het traject deelgenomen en heeft op enig moment kenbaar gemaakt om hem moverende redenen niet aan het traject te willen deelnemen.

De CRvB oordeelt dat uit de houding en gedragingen van belanghebbende ondubbelzinnig is gebleken dat hij zijn verplichtingen niet wil nakomen. Hiervoor is overigens niet vereist dat belanghebbende uitdrukkelijk aangeeft geen medewerking te willen verlenen aan het nakomen van zijn verplichting.

Rechtbank Den Haag 14 april 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:4023

Werkzoekende EU-onderdaan heeft ook na drie maanden (vrije termijn) geen recht op Pw.

CRvB 2 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2923

De beroepsprocedure van belanghebbende was haar tweede rechtsmiddel tegen de intrekking van de verblijfsvergunning zodat zij geen rechtmatig verblijf meer had op grond van art. 8 Vw 2000 en zij Nederland diende te verlaten. Dat zij om beleidsmatige redenen niet werd uitgezet, maakt niet dat zij gelijkgesteld kan worden met iemand die wel rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de beslissing op een bezwaar- of beroepsschrift (en uitzetting van de aanvrager achterwege moet blijven totdat daarop is beslist art. 8 onderdeel h Vw 2000).

Van een discriminatieverbod als bedoeld in art. 14 EVRM is geen sprake omdat er, als al aangenomen kan worden dat sprake is van een ongelijke behandeling in vergelijkbare gevallen, een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat voor het gemaakte onderscheid. De CRvB verwijst in dit kader naar CRvB 8 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:946.

CRvB 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5033

Een minderjarig kind met de Nederlandse nationaliteit heeft een Surinaamse moeder die zonder een geldige verblijfsvergunning in Nederland verblijft. Samen wonen zij bij de grootmoeder van het minderjarige kind. Het minderjarige kind heeft op grond van art. 13 lid 1 onder f geen recht op bijstand. Recht op bijstand is dan alleen mogelijk op grond van art. 16. Of er sprake is van zeer dringende redenen dient te worden bezien in het licht van art. 3 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).

Van zeer dringende redenen is sprake indien de ouders van het kind niet de middelen hebben om in de meest elementaire levensbehoeften van het kind te voorzien. Het gaat dan om voeding, kleding en huisvesting.

Vaststaat dat moeder niet in het levensonderhoud van haar kind kon voorzien. Nu gebleken is dat de grootmoeder wel in de elementaire behoeften van het kind voorzag, was er geen sprake van zeer dringende redenen.

HvJ EU 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354

In de zaak Chavez Vilchez is er sprake van een moeder zonder verblijfstitel (afkomstig buiten EU) en een kind dat wel de Nederlandse nationaliteit bezit. Als er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding, dan kan er recht bestaan op een afgeleid verblijfsrecht voor de moeder.

De afhankelijkheidsverhouding dient vastgesteld te worden aan de hand van de volgende vragen:

  1. kan de vader voor het kind zorgen;

  2. wat is de leeftijd van het kind;

  3. hoe is de lichamelijke en emotionele ontwikkeling van het kind;

  4. wat is de affectieve relatie van beide ouders met het kind;

  5. wat zijn de risico’s voor het evenwicht van het kind bij het scheiden met een van de ouders.

CRvB 28 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1623

Belanghebbende verbleef met ingang van de dag waarop het bezwaar tegen de intrekking van de verblijfsvergunning door de staatssecretaris ongegrond is verklaard, niet langer rechtmatig in Nederland. Belanghebbende kon per die datum niet langer met een Nederlander worden gelijkgesteld en had daarom geen recht meer op bijstand, zelfs niet als er sprake zou zijn van zeer dringende redenen (gelet op ar. 16 lid 2 Pw). Belanghebbende heeft weliswaar beroep ingesteld tegen de beslissing van de staatssecretaris, maar dit beroep schort de werking van het besluit niet op. Evenmin was sprake van een rechterlijke beslissing op grond waarvan uitzetting achterwege dient te blijven.

CRvB 30 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:715

De Rva 2005 is ook voor een derdelander met een verblijfsvergunning, die met haar kinderen met de Nederlandse nationaliteit in een opvangcentrum van het COA verblijft, een passende en toereikende voorliggende voorziening.

CRvB 6 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2024

Belanghebbende doet geen moeite om een baan te krijgen. Op het aanvraagformulier heeft hij aangegeven voor 0 uren beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt. Bij de werkconsulent heeft hij aangegeven dat de arbeidsverplichtingen niet voor hem gelden en hij daarom niet op zoek hoeft te gaan naar werk. Volgens de Raad heeft het college daarom terecht kunnen stellen dat uit de houding en gedragingen van belanghebbende ondubbelzinnig is gebleken dat hij de arbeidsverplichtingen niet wilde nakomen.

Rechtbank Den Haag 12 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5288

Uit medische informatie blijkt dat alleen medicinale cannabis van eigen kweek goed werkt tegen alle gezondheidsproblemen van belanghebbende en er zonder deze medicinale cannabis sprake is van een ondraaglijke leefsituatie. Er bestaat dan gevaar van een instabiele depressie al dan niet met psychotische ontregelingen zoals suïcide en stoornissen in de cognitieve functies. Volgens de rechtbank blijkt hieruit duidelijk dat er sprake is van een acute noodsituatie. De gemeente wordt om die reden verplicht om aan belanghebbende bijzondere bijstand te verstrekken voor een thuiskweek installatie van medicinale cannabis.

CRvB 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985

Belanghebbende heeft een ernstige spierziekte en wordt geconfronteerd met toenemende beperkingen in zijn zelfredzaamheid en chronische pijnklachten. Belanghebbende heeft fysiotherapie nodig maar kan deze niet meer volgen, omdat hij de eerste 20 behandelingen niet kan betalen. De gemeente heeft de aanvraag afgewezen omdat dit het gevolg is van een bewuste keuze van de voorliggende voorziening om de eerste 20 behandelingen niet te vergoeden. Uit medische informatie blijkt dat bij het uitblijven van fysiotherapie de gezondheidsklachten ernstig zullen toenemen en dat er een schrijnende situatie ontstaat. De CRvB is van mening dat deze situatie als een acute noodsituatie moet worden beschouwd en dat weigeren van bijstand onaanvaardbaar is.

CRvB 11 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1298

Er is sprake van zeer dringende redenen, als bedoeld in art 16 Pw, als uit een GGD-rapport blijkt dat als belanghebbende de vitaminepreparaten niet neemt, ernstige aandoeningen en invaliditeit zullen ontstaan.