Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

In art. 11 Pw is bepaald wie tot de personenkring van de Pw behoort.

Artikel 11 Rechthebbenden

  1. Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.

  2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van art. 8 onderdelen a tot en met e en 1 van de Vreemdelingenwet 2000, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in art. 24 lid 2 van Richtlijn 2004/38/EG.

  3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere hier te lande woonachtige vreemdelingen dan de in het tweede lid bedoelde voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:

  4. ter uitvoering van een verdrag dan wel van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of

  5. indien zij, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van art. 8
    onderdelen a tot en met e en 1 van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in art. 8, onderdeel g of h, van die wet en zij aan de in die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden voldoen.

  • Het recht op bijstand komt de echtgenoten gezamenlijk toe tenzij een van de echtgenoten geen recht op bijstand heeft.

  • Uit art. 11 Pw blijkt dat alleen de in Nederland wonende Nederlander recht op bijstand heeft als deze niet zelf over voldoende middelen kan beschikken om in de noodzakelijke kosten van bestaan te kunnen voorzien. Onder omstandigheden kan ook een persoon zonder de Nederlandse nationaliteit worden gelijkgesteld aan een Nederlander. Wil er recht op bijstand bestaan dan moet men:

    • in Nederland woonachtig zijn; en

    • rechtmatig verblijf houden in Nederland (zie BRP-codelijst).

    In de praktijk blijkt dat het niet altijd gemakkelijk is om het recht op bijstand vast te stellen.

    Woonachtig in Nederland

    Voorwaarde voor het recht op bijstand is dat iemand in Nederland woonachtig moet zijn. Zo kan een persoon met een tijdelijk doel in verband met bijvoorbeeld studie, stage, medische behandeling of als au pair, rechtmatig in Nederland verblijven maar nog steeds woonplaats hebben in het land van herkomst. In dat geval bestaat er geen recht op bijstand.

    Voor de beantwoording van de vraag of iemand in Nederland woont, is het van belang dat er een persoonlijke band met Nederland bestaat die van duurzame aard is. Voor mensen die nog maar kort in Nederland verblijven zal deze band in het algemeen nog opgebouwd moeten worden. Volgens vaste jurisprudentie moet worden vastgesteld of iemand het middelpunt van zijn maatschappelijk leven in Nederland heeft. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van de juridische, economische en sociale binding met Nederland. Bij deze beoordeling is ook van belang of en in hoeverre er (nog) sprake is van binding met het land van herkomst. Als bijvoorbeeld de rest van het gezin in het land van herkomst is achtergebleven, zal er minder snel sprake zijn van ingezetenschap.

    Rechtmatig verblijf in Nederland

    Een tweede voorwaarde voor het recht op bijstand is dat er sprake moet zijn van een rechtmatig verblijf in Nederland. Of dit het geval is blijkt uit de BRP-codelijst (opgenomen aan het einde van deze paragraaf).

    De BRP-codelijst bepaalt niet of er recht bestaat op bijstand maar alleen of er sprake is van rechtmatig verblijf in Nederland. De beoordeling of iemand rechtmatig in Nederland verblijft is in handen van de IND. In enkele situaties kan het beroep op bijstand invloed hebben op het verblijfsrecht. In de BRP-codelijst wordt daarom aangegeven in welke situaties het beroep op bijstand gemeld moet worden bij de IND. Voor het verblijfsrecht wordt onderscheid gemaakt tussen EU-onderdanen en niet-EU-onderdanen.

    Bijstandsrecht EU-onderdanen

    De eerste drie maanden

    EU-onderdanen verblijven als uitgangspunt rechtmatig in Nederland. Hierbij geldt dat zij tijdens de eerste drie maanden van hun verblijf (de zogenaamde vrije termijn) zijn uitgesloten van het recht op bijstand (art. 11 lid 2 Pw en art. 24 lid 2
    Richtlijn 2004/38/EG). Deze uitsluiting geldt niet voor werknemers met reële daadwerkelijke arbeid. Dit heeft het Europese Hof van Justitie op 25 februari 2016 bevestigd in het arrest Garcia-Nieto (ECLI:EU:C:2016:114).

    Drie maanden tot vijf jaar

    Of er na de periode van drie maanden recht op bijstand bestaat is afhankelijk van de situatie. Hierbij zijn de volgende situaties te onderscheiden:

    1. De EU-burger is werknemer of zelfstandige met reële daadwerkelijke arbeid. In dat geval is bijstand mogelijk zonder melding aan de IND. Van reële daadwerkelijke arbeid is sprake als de inkomsten uit arbeid meer bedragen dan 50% van de toepasselijke bijstandsnorm of dat er minimaal 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd wordt gewerkt. Dit volgt uit de Vreemdelingencirculaire 2000.

    2. De EU-burger is werknemer of zelfstandige zonder reële daadwerkelijke arbeid. In dat geval is er bijstand mogelijk, maar dit moet wel gemeld worden aan de IND. Er is geen sprake van reële daadwerkelijke arbeid als de inkomsten uit arbeid minder bedragen dan 50% van de toepasselijke bijstandsnorm en er minder dan 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd wordt gewerkt. Dit volgt uit de Vreemdelingencirculaire 2000.

    3. De EU-burger is onvrijwillig werkloos en heeft korter dan een jaar gewerkt. In die situatie behoudt de EU-burger gedurende zes maanden zijn status van werknemer. Gedurende de eerste zes maanden van werkloosheid bestaat er dan wel recht op bijstand en dit hoeft dan niet gemeld te worden aan de IND. Na deze zes maanden kan het recht worden beëindigd zonder tussenkomst van de IND.

      Uit de Richtlijn 2004/38/EG (hierna ook: de Richtlijn) volgt dat de gastlidstaat niet verplicht is om na de periode van zes maanden een sociale uitkering te verstrekken. Een individueel onderzoek naar de eventuele onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel van de gastlidstaat is in deze situatie dan ook niet nodig. De einddatum kan al bij aanvang van de bijstand worden aangekondigd. (Zie ook art. 7 lid 3 van de Richtlijn en het arrest van het HvJ EU van 15 september 2015 in de zaak Alimanovic, ECLI:EU:C:2015:597.)

    4. De EU-burger is onvrijwillig werkloos, heeft één jaar of langer gewerkt (reële en daadwerkelijke arbeid) en is ingeschreven bij het UWV. In die situatie behoudt hij zijn status van werknemer of zelfstandige voor onbepaalde tijd (art. 7 lid 3 van de Richtlijn). Er is dan bijstand mogelijk zonder melding aan de IND.

    5. De EU-burger is werknemer maar verwijtbaar werkloos. In die situatie verliest hij de status van werknemer. In dat geval is bijstand mogelijk maar dit moet wel gemeld worden aan de IND. Het beroep op bijstand kan dan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.

    6. De EU-burger is werkloos, heeft geen werk gehad, maar zoekt wel naar werk en maakt een reële kans om werk te vinden. In dat geval bestaat er wel verblijfsrecht (op grond van art. 14 lid 4 van de Richtlijn) maar geen recht op bijstand. Deze situatie hoeft niet gemeld te worden bij de IND.

    7. Zie hiervoor ook de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 14 april 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:4023). In deze uitspraak wordt aangegeven dat als de belanghebbende zich in Nederland heeft gevestigd met als doel het vinden van werk er ook na de eerste drie maanden van verblijf in Nederland geen recht op bijstand bestaat (op grond van art. 11 Pw in samenhang met art. 24 en 14 van de Richtlijn). Deze stelling wordt bevestigd door het HvJ EU in de arresten Garcia-Nieto (ECLI:EU:C:2016:114) en Alimanovic (ECLI:EU:C:2015:597).

    8. De EU-burger is naar Nederland gekomen en heeft de financiële middelen om in zijn eigen bestaan te kunnen voorzien. Als uitgangspunt zou hierdoor een beroep op bijstand niet aan de orde moeten zijn. Als deze EU-burger wel een beroep doet op bijstand en geen werk heeft (gehad) en niet zoekt naar werk, dan bestaat er wel recht op bijstand (bij afwezigheid van een uitsluitingsgrond). Een dergelijke situatie moet wel gemeld worden aan de IND en kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht. Zie bijvoorbeeld uitspraak Rechtbank Den Haag 26 juni 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:7297).

    9. De EU-burger die naar Nederland is gekomen zonder voldoende middelen om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien en hier korter dan vijf jaar verblijft met als doel sociale bijstand te ontvangen, heeft geen verblijfsrecht en geen recht op bijstand (zie ook het arrest van het HvJ EU van 11 november 2014 in de zaak Dano, ECLI:EU:C:2014:2358).

    Vanaf vijf jaar

    Als de EU-burger vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven dan is er sprake van een duurzaam verblijfsrecht. Iemand met een duurzaam verblijfsrecht wordt gelijkgesteld aan een Nederlander ongeacht of hij werknemer, zelfstandige of economisch inactief is. In dat geval bestaat er aanspraak op bijstand en hoeft geen melding aan de IND te worden gedaan.

    De verschillende situaties zijn in het onderstaande schema nader verwerkt.

    Schema EU-burgers en recht op bijstand

    Situatie

    < drie maanden (= vrije termijn)

    Langer dan drie maanden en korter dan vijf jaar

    > vijf jaar

    1. De EU-burger is werknemer of zelfstandige met reële daadwerkelijke arbeid.

    Wel recht.

    Geen melding IND.

    Wel recht.

    Geen melding IND.

    Wel recht.

    Geen melding IND.

    2. De EU-burger is werknemer of zelfstandige zonder reële daadwerkelijke arbeid.

    Geen recht.

    Geen melding IND.

    Wel recht.

    Wel melding IND.

    Wel recht.

    Geen melding IND.

    3. De EU-burger die korter dan een jaar heeft gewerkt en onvrijwillig werkloos is behoudt gedurende zes maanden zijn status van werknemer.

    Geen recht.

    Geen melding IND.

    Eerste zes maanden wel recht op bijstand.

    Geen melding IND.

    Na zes maanden geen recht op bijstand.

    Beëindiging mogelijk zonder tussenkomst IND.

    Wel recht.

    Geen melding IND.

    4. De EU-burger die langer dan een jaar heeft gewerkt en onvrijwillig werkloos is behoudt zijn status van werknemer voor onbepaalde tijd.

    Geen recht.

    Geen melding IND.

    Wel recht.

    Geen melding IND.

    Wel recht.

    Geen melding IND.

    5. De EU-burger is werknemer maar verwijtbaar werkloos.

    Geen recht.

    Geen melding IND.

    Wel recht.

    Wel melding IND.

    Wel recht.

    Geen melding IND.

    6. De EU-burger die geen werk heeft gehad maar wel werk zoekt wordt aangemerkt als werkzoekende.

    Geen recht.

    Geen melding IND.

    Geen recht.

    Geen melding IND (werkzoekende houdt wel het verblijfsrecht).

    Wel recht.

    Geen melding IND.

    7. De EU-burger is economisch niet actief, heeft wel financiële middelen gehad, heeft geen werk gehad en zoekt niet naar werk.

    Geen recht.

    Geen melding IND.

    Wel recht (geen uitsluitingsgrond).

    Wel melding IND.

    Wel recht.

    Geen melding IND.

    8. De EU-burger is economisch niet actief, beschikt niet over voldoende middelen en is naar Nederland gekomen met als doel bijstand te ontvangen.

    Geen recht.

    Geen melding IND.

    Geen recht.

    Geen melding IND.

    Wel recht.

    Geen melding IND.

    Bijstandsrecht niet-EU-onderdanen

    Vreemdelingen die geen EU-onderdaan en geen asielzoeker zijn, krijgen in eerste instantie alleen een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Dit document heet een vergunning bepaalde tijd regulier (VBTR) en is in de BRP-codelijst opgenomen onder de codes 21-24. Vreemdelingen met een tijdelijke verblijfsvergunning kunnen een beroep op bijstand doen maar hebben hier alleen recht op als zij ook woonachtig zijn in Nederland. Of hier sprake van is moet bij een dergelijke aanvraag onderzocht worden. Mocht er bijstand worden toegekend dan moet de IND hierover geïnformeerd worden en kan het beroep op bijstand gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.

    Asielzoekers die nog geen positieve beslissing op hun asielverzoek hebben ontvangen, hebben nog geen recht op bijstand. Toegelaten asielzoekers die zich in een gemeente hebben gevestigd, zijn voor wat betreft het recht op bijstand gelijkgesteld aan Nederlandse ingezetenen en behoren dus wel tot de kring van rechthebbenden van de Pw (zie BRP-code 26 en 27).

    Na een verblijf van minimaal vijf jaar op basis van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan de vreemdeling (asiel en regulier) in aanmerking komen voor een vergunning voor onbepaalde tijd (BRP-code 25 en 27). Na verlening daarvan heeft een beroep op de publieke middelen geen gevolgen meer voor het verblijfsrecht.

    Bijzondere situaties

    Het Zambrano-arrest (HvJ EU 8 maart 2011, ECLI:EU:C:2011:124) gaat over de vraag of ouders die beiden afkomstig zijn van buiten de EU (Colombia) het verblijfsrecht kan worden ontzegd in de lidstaat (België) waar de kinderen verblijven en waarvan de kinderen de nationaliteit bezitten. De uitkomst is dat dit niet kan omdat anders de kinderen het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van EU-burger ontleende rechten wordt ontzegd.

    Het Chavez Vilches arrest (HvJ EU 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354) is een variant op het Zambrano-arrest. In deze situatie is er sprake van een Nederlandse vader en een buitenlandse moeder zonder verblijfstitel (afkomstig uit Venezuela) die samen een kind hebben met de Nederlandse nationaliteit. De vader is buiten beeld en de moeder heeft de zorg voor het kind. De vraag is of er in die situatie recht kan bestaan op een afgeleid verblijfsrecht (en daarmee recht op bijstand).

    Het Hof oordeelt dat als er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding het verblijfsrecht van de moeder niet kan worden geweigerd in het belang van het kind met de Nederlandse nationaliteit.

    Of er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding dient vastgesteld te worden aan de hand van de volgende vragen:

    1. kan de vader voor het kind zorgen?

    2. wat is de leeftijd van het kind?

    3. hoe is de lichamelijke en emotionele ontwikkeling van het kind?

    4. wat is de affectieve relatie van beide ouders met het kind?

    5. wat zijn de risico’s voor het evenwicht van het kind bij het scheiden met een van de ouders?

    Het is in deze situatie aan de ouders (moeder) om met gegevens te komen en aan te tonen dat als haar het verblijfsrecht wordt geweigerd ook het kind genoodzaakt is de EU te verlaten.

    Gevolgen beroep op bijstand voor rechtmatigheid van verblijf

    In beginsel wordt van iedere vreemdeling verwacht dat hij of zij gedurende het verblijf in Nederland in zijn eigen levensonderhoud zal voorzien. Dit kan bijvoorbeeld bij een student, een au pair of een kennismigrant ook als voorwaarde aan de verblijfsvergunning worden verbonden. Een beroep op de publieke middelen kan dan leiden tot het intrekken van de verblijfsvergunning.

    Om die reden moet in dergelijke situaties een beroep op bijstand ook worden gemeld aan de IND. De IND zal dan beoordelen of het doen van een beroep op bijstand gevolgen heeft voor de verblijfstitel van de vreemdeling. Of een verblijfsvergunning ook daadwerkelijk wordt ingetrokken hangt af van de individuele omstandigheden van de vreemdeling. Als de verblijfstitel wel wijzigt, wijzigt ook de BRP-code. In dat geval moet de gemeente beoordelen of dit ook gevolgen heeft voor het recht op bijstand van de vreemdeling. Bij welke BRP-code de gemeente een beroep op bijstand moet melden bij de IND staat vermeld in het schema aan het einde van deze paragraaf.

    Daarnaast moet de gemeente in ieder geval contact opnemen met de IND als blijkt dat een BRP-code niet overeenstemt met de werkelijke verblijfstitel van de vreemdeling.

    Rechtmatig verblijf bij BRP-code 30 en 38

    De CRvB heeft op 18 maart 2013 meerdere uitspraken gedaan waarin wordt bepaald dat het enkele feit dat een EU-onderdaan staat geregistreerd onder verblijfscode 30 of 38 onvoldoende is om aan te nemen dat hij niet rechtmatig in Nederland verblijft. Van rechtmatig verblijf moet worden uitgegaan zolang door de IND geen besluit is genomen over de beëindiging van het verblijfsrecht (zie CRvB 18 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3855).

    Wet toets rechthebbenden bijstand

    Door bovengenoemde uitspraak bestaat er eerst recht op bijstand en wordt het verblijfsrecht pas achteraf getoetst. Aangezien de wetgever deze situatie onwenselijk acht, ligt er een wetsvoorstel om deze procedure te wijzigen waarbij eerst het verblijfsrecht wordt getoetst alvorens er recht op bijstand bestaat.

    De bedoeling is om hiervoor het volgende artikel in te voeren:

    Artikel 40a Verklaring rechtmatig verblijf in Nederland na aanvraag bijstand

    1. Indien bij het college bij de beoordeling van het recht op bijstand, aangevraagd door een vreemdeling als bedoeld in art. 11 lid 2 of 3, gerede twijfel bestaat of het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland in verband met het beroep op bijstand in stand kan blijven, verzoekt het college terstond Onze Minister van Veiligheid en Justitie om een verklaring omtrent de gevolgen van het beroep op bijstand voor het rechtmatig verblijf van de vreemdeling hier te lande. De beoordeling wordt opgeschort totdat voornoemde minister de verklaring heeft afgegeven, en, indien de verklaring een besluit behelst, dat besluit formele rechtskracht heeft verkregen.

    2. Het college doet de vreemdeling terstond schriftelijk mededeling van de opschorting, bedoeld in het eerste lid.

    3. Geen opschorting van de beoordeling van het recht op bijstand vindt plaats indien daarvoor naar het oordeel van het college dringende redenen aanwezig zijn.

    4. De vreemdeling doet het college desgevraagd mededeling van alle feiten en omstandigheden die het college redelijkerwijs nodig heeft in verband met het verzoek aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie om een verklaring omtrent de gevolgen van het beroep op bijstand voor het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland.

    5. Onze Minister van Veiligheid en Justitie verstrekt de verklaring, bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk na ontvangst van het verzoek van het college. Indien Onze voornoemde Minister naar aanleiding van het beroep op bijstand besluit tot beëindiging van het rechtmatig verblijf van de vreemdeling, doet deze het college per ommegaande een afschrift van dat besluit toekomen.

    6. De opschorting wordt beëindigd zodra het college gebleken is dat de reden daarvoor niet meer bestaat.

    Dit artikel beschrijft de procedure die moet worden gevolgd wanneer er twijfel bestaat of het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in stand kan blijven wanneer deze een beroep op bijstand doet. Het college verzoekt in dat geval de IND om een verklaring omtrent de gevolgen van het beroep op bijstand voor het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland en schort het recht op bijstand op. Deze opschorting blijft in stand totdat de IND de verklaring heeft afgegeven en deze formele rechtskracht heeft gekregen, dat wil zeggen niet meer kan worden aangevochten.

    Dit is van belang wanneer de IND besluit tot beëindiging van het rechtmatig verblijf van de vreemdeling. In die situatie is er sprake van een besluit dat kan worden aangevochten en daardoor nog geen formele rechtskracht heeft gekregen. In dat geval blijft het recht op bijstand opgeschort.

    Als de verklaring inhoudt dat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in stand kan blijven, zijn er geen gevolgen maar betreft het een voortzetting van de situatie zoals die gold voordat het beroep op bijstand is gedaan.

    De vreemdeling wordt schriftelijk geïnformeerd wanneer de beoordeling van zijn beroep op bijstand is opgeschort. De beoordeling wordt niet opgeschort als daarvoor naar het oordeel van het college dringende redenen aanwezig zijn. Een opschorting wordt beëindigd zodra het college is gebleken dat de reden daarvoor niet meer bestaat.

    Met ingang van welke datum dit artikel wordt ingevoerd is nog niet duidelijk.

    BRP-codelijst

    Hieronder volgt het schematisch overzicht waarbij per BRP-code is aangegeven of er recht op bijstand kan bestaan. Zoals hiervoor reeds is aangegeven, kan er alleen recht op bijstand bestaan als is vastgesteld dat de vreemdeling daadwerkelijk duurzaam in Nederland woonachtig is. Ook wordt in het schema bij elke BRP-code vermeld of een beroep op bijstand door de gemeente moet worden gemeld bij de IND.

    BRP-code

    Verblijfsrecht

    Recht op bijstand

    Melding IND

    21

    VBTR, arbeid vrij

    Ja

    Ja

    22

    VBTR, arbeid mits tewerkstellingsvergunning

    Ja

    Ja

    23

    VBTR, arbeid specifiek

    Ja

    Ja

    24

    VBTR, geen arbeid toegestaan

    Ja

    Ja

    25

    VOTR

    Ja

    Nee

    26

    VBTA, arbeid vrij

    Ja

    Nee

    27

    VOTA

    Ja

    Nee

    28

    EU-onderdaan economisch actief

    Ja

    Ja, tenzij beroep op bijstand minder is dan 50% van de toepasselijke norm

    29

    EU-onderdaan economisch niet actief

    Ja

    Ja

    30

    EU-onderdaan

    Ja, zie CRvB 18 maart 2013

    Ja

    31

    Sticker of W-document in procedure voor vergunning art. 14 VW 2000 (regulier)

    Nee

    Nee

    32

    W-document in procedure voor vergunning art. 28 VW 2000 (asiel)

    Nee (wel Rva 2005)

    Nee

    33

    Vreemdeling die tijdig om verlenging van zijn verblijfsvergunning heeft gevraagd en/of om wijziging van de aan hem verleende beperking

    Ja, als uitspraak in
    Nederland mag worden afgewacht

    Ja, indien een aantekening over de publieke middelen op het document staat vermeld (art. 11 lid 3 Pw)

    34

    Vreemdeling die niet tijdig om verlenging van zijn verblijfsvergunning heeft gevraagd en/of om wijziging van de aan hem verleende beperking

    Nee, tenzij de niet-tijdige aanvraag verschoonbaar is

    Ja, indien een aantekening over de publieke middelen op het document staat vermeld (art. 11 lid 3 Pw)

    35

    VBTR

    Ja

    Ja

    36

    EU-onderdaan, economisch actief

    Ja

    Ja

    37

    EU-onderdaan economisch niet actief, arbeid specifiek

    Ja

    Ja

    38

    EU-onderdaan

    Ja

    Ja

    39

    W2-document in afwachting indiening asielaanvraag, geen arbeid

    Nee

    Nee

    40

    EU-onderdaan, duurzaam verblijf, arbeid vrij

    Ja

    Nee

    41

    Rechtmatig verblijf is beëindigd

    Nee

    Nee

    42

    Rechtmatig verblijf op grond van voorlopige maatregel EHRM, geen arbeid

    Nee, wel opvang mogelijk via COA of Wmo

    Nee

    43

    Rechtmatig verblijf op aanwijzing minister van Justitie, geen arbeid

    Ja, tenzij recht op Rva 2005 via COA

    Nee

    44

    Dublinclaimant, geen arbeid

    Nee

    Nee

    45

    Onderzoeker / student

    Nee

    Nee

    46

    Tijdelijke bescherming

    Oekraïne

    Nee

    Nee

    91

    Verblijfsvergunning onbepaalde tijd, arbeid vrij

    Ja

    Nee

    92

    Verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd, arbeid vrij

    Ja

    Nee

    93

    Verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd arbeid nader te bepalen

    Ja

    Ja

    98

    geen verblijfstitel (meer)

    Nee

    Nee

    VBTR = Verblijfsvergunning bepaalde tijd regulier

    VOTR = Verblijfsvergunning onbepaalde tijd regulier

    VBTA = Verblijfsvergunning bepaalde tijd asiel

    VOTA = Verblijfsvergunning onbepaalde tijd asiel

    Rva 2005 = Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005

    COA = Centraal Orgaan opvang asielzoekers