Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

Als er sprake is van een voorliggende voorziening, bestaat er geen recht op bijstand.

In art. 15 lid 1 Pw is het volgende bepaald:

  1. Geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

Op grond van dit artikel bestaat er geen recht op bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening maar er bestaat ook geen recht op bijstand als de kosten in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

Voorbeeld

  1. Sam heeft 5 jaar in een winkel gewerkt. De winkel moest door faillissement sluiten. Sam is nu werkloos en heeft geen inkomen meer. Uitgaande dat Sam recht heeft op een WW uitkering, bestaat er geen recht op bijstand. De WW wordt aangemerkt als een voorliggende voorziening.

  2. Jan heeft een inkomen op bijstandsniveau en huurt een woning van € 700 per maand. Aangezien Jan recht heeft op huurtoeslag, is er sprake van een voorliggende voorziening waardoor Jan voor deze kosten geen recht heeft op bijstand.

  3. Anouk is gehandicapt en kan niet reizen met het openbaar vervoer. Voor een vervoersvoorziening dient zij een beroep te doen op de Wmo 2015. Aangezien de Wmo 2015 in haar situatie geldt als een voorliggende voorziening, bestaat er voor deze kosten geen recht op bijstand.

  4. Youp, alleenstaande, is 28 jaar en studeert aan een hbo-instelling. Youp heeft, in verband met deze studie, recht op studiefinanciering in het kader van de WSF 2000. Aangezien de WSF 2000 geldt als een voorliggende voorziening, heeft Youp geen recht op algemene bijstand.

  5. Stel dat Youp onder bewind is geplaatst dan kan hij voor deze kosten nog wel in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. De WSF 2000 geldt voor deze kosten namelijk niet als een voorliggende voorziening.

In artikel 15 lid 1 tweede zin is bepaald dat als de voorliggende voorziening bepaalde kosten bewust niet vergoed, er ook geen recht op bijstand bestaat.

Voorbeeld

  1. Voor zover de kosten voor een bril, tandarts of fysiotherapie niet worden vergoed vanuit de basisverzekering, bestaat er voor deze kosten ook geen recht op (bijzondere) bijstand. De basisverzekering op grond van de Zvw wordt voor deze kosten aangemerkt als een voorliggende voorziening. Als een voorliggende voorziening een bewuste keuze maakt om bepaalde kosten niet te vergoeden dan bestaat voor deze kosten ook geen recht op bijstand.

Van een voorliggende voorziening is alleen sprake als er ook feitelijk een beroep op kan worden gedaan. Als iemand heeft gewerkt en geen recht heeft op WW, bijvoorbeeld in verband met verwijtbaar ontslag, dan geldt de WW niet als een voorliggende voorziening. Als iemand met een eigen woning bijstand aanvraagt voor de woonlasten, dan kan deze aanvraag niet worden afgewezen op grond van de Wet op de huurtoeslag (Wht). Aangezien de Wht alleen geldt voor huurders is er dus geen sprake van een voorliggende voorziening voor eigenaren van een eigen woning.

WSF 2000 geldt als een voorliggende voorziening vanaf de datum waarop aanspraak op studiefinanciering ontstaat. Als een belanghebbende de studiefinanciering te laat aanvraagt, dan komt dat voor zijn rekening (CRvB 30 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2118).

De aantoonplicht dat een voorliggende voorziening niet passend of toereikend is ligt niet bij de gemeente maar bij de aanvrager (zie CRvB 27 oktober 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3307).

Als er WSF 2000 wordt ontvangen dan bestaan er verschillende situaties.

Situatie

Recht op bijstand

De ontvanger van WSF 2000 is een alleenstaande jonger dan 27 jaar.

Er bestaat geen recht op algemene bijstand op grond van art. 13 lid 2 onder c.

De ontvanger van WSF 2000 is een alleenstaande van 27 jaar of ouder.

Er bestaat geen recht op algemene bijstand op grond van art. 15.

De ontvanger van WSF 2000 is jonger dan 27 jaar en woont samen met een rechthebbende partner.

De ontvanger van WSF 2000 heeft geen recht op algemene bijstand op grond van art. 13 lid 2 onder c. Er is dus sprake van een gezin met een niet-rechthebbende partner. In deze situatie wordt op grond van art. 24 aan de rechthebbende partner een uitkering toegekend van 50% van de norm gehuwden.

De ontvanger van WSF 2000 is 27 jaar of ouder en woont samen met een rechthebbende partner.

De WSF 2000 wordt in deze situatie niet aangemerkt als een voorliggende voorziening die passend en toereikend is. Er bestaat recht op de norm gehuwden onder verrekening van de WSF 2000 (zie uitspraak CRvB 27 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1880).

Bovenstaande tabel is niet volledig. Hoe het recht op uitkering moet worden beoordeeld als er sprake is van een niet-rechthebbende partner wordt behandeld in hoofdstuk 5 Algemene bijstand.