Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

Als op basis van artikel 11 t/m 15 geen recht op bijstand bestaat dan kan hier op grond van artikel 16 van worden afgeweken als er sprake is van zeer dringende redenen.

Artikel 16 Pw

  1. Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op andere vreemdelingen dan die, bedoeld in art. 11 lid 2 en 3.

Dit betekent:

  • dat art. 16 Pw alleen van toepassing kan zijn als er sprake is van een uitsluitingsgrond als genoemd in art. 11-15 Pw (gelet op de woorden ‘deze paragraaf’);

  • dat het een uitzonderingsbepaling betreft waarvan het college gebruik ‘kan’ maken;

  • dat er sprake moet zijn van zeer dringende redenen; en

  • dat deze uitzondering niet geldt voor vreemdelingen die niet gelijkgesteld worden aan Nederlanders, ook niet als er sprake is van zeer dringende redenen (zie bijv. CRvB 26 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3795 en CRvB 28 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1623).

Volgens de wetgever is er sprake van zeer dringende redenen als vaststaat dat er sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze te verhelpen zijn, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is.

Volgens de CRvB is artikel 16 PW van toepassing als er sprake is van:

• een situatie die van levensbedreigende aard is of

• blijvend ernstig letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben of

• als het niet verlenen van bijstand tot ernstige gevolgen voor de gezondheid leidt,

en het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is om deze situatie op te lossen.

Bij beperkte medische klachten zoals maagklachten, rugklachten of hoofdpijn is dus geen sprake van zeer dringende redenen.

Voorbeeld

De situatie waarbij iemand als gevolg van een amputatie van zijn voet niet tijdig kon terugreizen naar Nederland was naar het oordeel van de CRvB onvoldoende om zeer dringende redenen aan te nemen (zie CRvB 1 februari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS4908).

Voorbeeld

In de situatie dat een belanghebbende neurofeedbackbehandelingen volgde vanwege zeer ernstige depressies en suïcidepogingen achtte de CRvB de acute noodsituatie wel aanwezig. Het college had de aanvraag afgewezen omdat de Zvw en AWBZ als een voorliggende voorziening gelden en er geen sprake is van een zeer dringende reden. Volgens de CRvB was er wel sprake van zeer dringende redenen omdat uit verklaringen van twee onafhankelijke deskundigen bleek dat het stopzetten van de neurofeedbackbehandelingen zeer waarschijnlijk zal leiden tot ernstige depressieve klachten met een aanzienlijk suïciderisico. Het college was daarom gehouden wel bijstand te verlenen (CRvB 17 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:678).

Voorbeeld

Kees heeft een ernstige spierziekte en wordt geconfronteerd met toenemende beperkingen in zijn zelfredzaamheid en chronische pijnklachten. Kees heeft fysiotherapie nodig maar kan deze niet meer volgen, omdat hij de eerste 20 behandelingen niet kan betalen. De gemeente heeft de aanvraag afgewezen omdat dit het gevolg is van een bewuste keuze van de voorliggende voorziening om de eerste 20 behandelingen niet te vergoeden. De CRvB vindt de medische informatie over Kees aannemelijk. Hierin staat dat bij het uitblijven van fysiotherapie de gezondheidsklachten van Kees ernstig zullen toenemen en dat er een schrijnende situatie ontstaat.

De CRvB is van mening dat deze situatie als een acute noodsituatie moet worden beschouwd en dat weigeren van bijstand onaanvaardbaar is (zie CRvB 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985).

In een uitzonderlijke situatie kan art. 16 PW ook worden gebruikt om te voldoen aan Europese en/of andere internationale verdragen. Zo moest aan een belanghebbende die ter behandeling van zijn drugsverslaving was opgenomen in de Castle Craig Clinic (in Schotland) bijstand worden verleend omdat anders sprake zou zijn van strijd met art. 49 Richtlijn 2004/38/EG.

Art. 49 Richtlijn 2004/38/EG regelt het vrij verkeer van diensten. Aangezien door toepassing van het territorialiteitsbeginsel (art. 11 en 13 Pw) er geen recht op bijstand zou bestaan, zou er in deze expliciete situatie sprake zijn van een ongerechtvaardigde belemmering in het vrij verkeer van diensten. Door toepassing van art. 16 Pw moest algemene bijstand worden verleend om de strijdigheid met art. 49 Richtlijn 2004/38/EG op te heffen (CRvB 22 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD8764). Inmiddels valt Schotland niet meer onder de Europese Unie zodat deze situatie nu niet meer van toepassing is.