Menu

Zoek op
rubriek
Zorg&Sociaalweb
0

CRvB: WhatsApp-bericht terecht niet-ontvankelijk verklaard

‘Dat was de laatste verlenging’. Met dit WhatsApp-bericht werd een inwoner door een sociaal werker op de hoogte gebracht dat haar beschikking – opvang bij een instelling – niet werd verlengd. Ze maakte bezwaar tegen dit bericht, maar het Haarlemse college van burgemeester en wethouders heeft deze klacht niet-ontvankelijk verklaard. Terecht, zo blijkt uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB). (1) Wat was er precies aan de hand? Juristen Laura di Bella en Lorenz van der Ven geven uitleg en laten zien waarom in de toekomst de vraag naar de bestuursrechtelijke status van WhatsApp-berichten nog wel vaker zal opduiken.

11 januari 2023

In de bestuursrechtspraak zijn de drie b's – besluit, belanghebbende en bestuursorgaan – regelmatig onderwerp van geschil. In een recente uitspraak van de CRvB staat het besluitbegrip centraal. (2) Er is sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb als is voldaan aan drie vereisten. Het moet gaan om 1) een schriftelijke beslissing 2) van een bestuursorgaan 3) inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

In de genoemde uitspraak van de CRvB ging het om de vraag of was voldaan aan de vereisten 1 en 3. In deze zaak was eerder een besluit genomen waaruit volgde dat aan appellante opvang was verleend dan wel verlengd tot 16 februari 2019. Op 27 december 2018 ontving appellante via WhatsApp een bericht waarin haar werd medegedeeld dat de beschikking afloopt en ‘dat dat de laatste verlenging was’. Appellante heeft bezwaar ingesteld tegen dit WhatsApp-bericht. Het college van burgemeester en wethouders (B&W) van Haarlem voerde hiertegen aan dat het WhatsApp-bericht geen besluit was. Dit omdat het niet voldoet aan het schriftelijkheidsvereiste en dus geen rechtsgevolg heeft. De CRvB oordeelt, net als de rechtbank, dat het WhatsApp-bericht inderdaad niet gericht is op rechtsgevolg. Er is dus volgens de CRvB geen sprake van een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het WhatsApp-bericht is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. De CRvB ziet de mededeling ‘dat dat de laatste verlenging was’ als een mededeling van informatieve aard, waarbij het college appellante slechts wees op het aflopen van de meest recente verlening tot 16 februari 2019. De CRvB meent dat de conclusie – er is geen sprake van een besluit – niet meebrengt dat appellante onvoldoende rechtsbescherming heeft. Dit omdat zij rechtsmiddelen had kunnen aanwenden tegen het besluit waarin de opvang tot 16 februari 2019 is bepaald.

De vraag is of dat altijd realistisch is. Of verlenging van opvang nodig is, zal immers vaak pas blijken tegen de tijd dat het recht op opvang eindigt. De termijn voor het indienen van rechtsmiddelen tegen het besluit waarin het recht op opvang is bepaald dan wel verlengd zal dan meestal al voorbij zijn. De belanghebbende moet er in deze situatie – indien mogelijk – zelf aan denken om tijdig verlenging van de opvang aan te vragen.

Nu geen sprake is van een besluit vanwege het ontbreken van rechtsgevolg, kan de vraag of een WhatsApp-bericht voldoet aan het schriftelijkheidsvereiste in deze zaak buiten beschouwing blijven. De CRvB besteedt daar ook geen aandacht aan.

Het is daarentegen wel een interessante en relevante vraag. Communicatie vindt steeds meer plaats via WhatsApp. Schriftelijk betekent in de Awb dat het stuk schrifttekens moet bevatten, ongeacht wat de drager van die schrifttekens is. (3) Hier vallen dus ook elektronisch geschriften onder, zoals sms-berichten. (4) De wetgever wijst er wel op dat een sms-bericht in veel gevallen niet functioneel equivalent is aan een papieren stuk, omdat niet is voldaan aan de eis van voldoende betrouwbaarheid. Dit is mede afhankelijk van de inhoud van het bericht en het oogmerk waarmee het is verzonden. (5) Uit onderstaand citaat blijkt dat de wetgever dan ook terughoudend is als het gaat om het vastleggen van besluiten in telefonische berichten:

“Wanneer precies sprake is van voldoende mate van betrouwbaar en vertrouwelijkheid is in algemene zin moeilijk te zeggen. In sommige gevallen van uitwisseling van informatieve berichten is er weinig behoefte aan bescherming. Een e-mailbericht zonder een elektronische handtekening of een sms-bericht kan al voldoende zijn. Zodra echter van belang is dat de authenticiteit, de integriteit of andere hiervoor genoemde beginselen voldoende zijn gewaarborgd, dienen maatregelen ter bescherming te worden genomen. De aard en de inhoud van het bericht en het doel waarvoor het wordt gebruikt, zijn bepalend voor de mate van betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid die vereist is. De mate van betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid dient even groot te zijn als in het conventionele verkeer. Aan de verlening van een vergunning bijvoorbeeld moeten hogere eisen worden gesteld dan aan de verstrekking van algemene inlichtingen die ook langs andere kanalen verkrijgbaar zijn.” (6)

Vanwege de aard van sms- en WhatsApp-berichten is die terughoudendheid naar onze mening ook logisch. Volgens Koenraad en Van der Sluis kan uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden afgeleid dat de Afdeling bereid zou zijn geweest om een WhatsApp-bericht van een politiebeambte gelijk te stellen aan een besluit van de burgemeester. (7) Dit is vanuit de wens van het bieden van bestuursrechtelijke rechtsbescherming ook begrijpelijk. Tegelijkertijd is de echtheid van een WhatsApp-bericht moeilijker te contoleren, waardoor anderen zich makkelijker als bestuursorgaan kunnen voordoen. Dit vormt bij zwaarwegende besluiten een risico. In de toekomst zal de vraag naar de bestuursrechtelijke status van WhatsApp-berichten in de rechtspraak nog wel vaker opduiken.

  1. CRvB 6 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2146.

  2. CRvB 6 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2146.

  3. Zie bijv. Van Ommeren, ‘De bevoegdhedenovereenkomst in de Awb en de verhouding met het BW’, p. 721.

  4. Kamerstukken II 2001/02, 28 483, nr. 3, p. 6.

  5. Kamerstukken II 2001/02, 28 483, nr. 3, p. 7.

  6. Kamerstukken II 2001/02, 28 483, nr. 3, p. 17.

  7. Zie L.M. Koenraad en C.N. van der Sluis, "Oppassen met appen in het bestuurlijk verkeer. De bestuursrechtelijke gevolgen van de WhatsApp-uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak voor de Algemene wet Bestuursrecht", Gemeentestem, 2020/13, p. 64.