Op 17 december jl. heeft rechtbank Amsterdam een uitspraak gedaan die relevant is voor gemeenten die in hun verordening een bevoegdheid hebben opgenomen voor kostenverhaal na het overlijden van een cliënt. De verordening van gemeente Amsterdam is onverbindend verklaard voor zover het college daarin een ruimere bevoegdheid krijgt tot kostenverhaal dan op grond van de Wmo 2015 mogelijk is.
Specifieke aanleiding voor deze beroepsprocedure was de intrekking door het college van een pgb vanwege het overlijden van de budgethouder. De budgethouder had een pgb ontvangen voor de aanschaf van een scootmobiel. De budgethouder heeft de scootmobiel gedeeltelijk met het pgb (€ 4.398,83) en voor de rest met eigen geld (€ 3.651,17) bekostigd. In het besluit wordt het verleningsbesluit ingetrokken. Daarnaast wordt de erfgename van de budgethouder de keuze geboden om of de voorziening aan het college terug te geven of de voorziening over te nemen met betaling van de restwaarde aan het college (€3.651,02).
Dit besluit wordt gekwalificeerd als enerzijds een intrekkingsbesluit en anderzijds een besluit tot kostenverhaal. De procedure draait om de vraag of het college bevoegd is tot het nemen van het besluit tot kostenverhaal.
Aan het besluit tot kostenverhaal heeft het college ten grondslag gelegd artikel 2.3.10, aanhef en onder b Wmo 2015 in samenhang met de nadere uitwerking daarvan in artikel 6.1 van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (Verordening). Artikel 2.3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015 gaat over intrekking van een maatwerkvoorziening of een pgb als de ontvanger daarvan niet langer op de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget is aangewezen. In artikel 6.1 vierde lid van de Verordening is geregeld dat er kostenverhaal kan plaatsvinden na intrekking van een besluit tot toekenning van een pgb of maatwerkvoorziening op (onder meer) voornoemde intrekkingsgrond.
Volgens de rechtbank was het college niet bevoegd om het besluit tot kostenverhaal te nemen. Volgens de rechtbank regelt artikel 2.3.10 Wmo 2015 enkel de intrekking van een besluit en biedt het geen grondslag voor kostenverhaal. De nadere uitwerking van deze bepaling in artikel 6.1 van de Verordening kan dus evenmin een grondslag bieden voor kostenverhaal.
De rechtbank wijst er verder op dat in de Wmo 2015 kostenverhaal uitputtend is geregeld in de artikelen 2.4.1 tot en met 2.4.4 Wmo 2015. Deze bevatten regelingen voor kostenverhaal in andere situaties. De rechtbank leidt daaruit af dat de Wmo 2015 niet voorziet in de mogelijkheid van kostenverhaal voor de specifieke situatie dat een ontvanger van een pgb komt te overlijden. De bepaling in de Verordening die wel in deze bevoegdheid voorziet, is dan ook in strijd met de Wmo 2015. De rechtbank verklaart om deze reden het vierde lid van artikel 6.1. van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning 2015 onverbindend.
Deze uitspraak is juridisch juist. Kostenverhaal na intrekking van een besluit is alleen mogelijk in de situatie waarin een cliënt opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid. Daarvan was in deze situatie geen sprake.
Dit roept de vraag op welke ruimte gemeenten hebben om deze situatie op andere wijze te voorkomen. Die lijkt beperkt. Omdat het aangeschafte hulpmiddel geen eigendom is van de gemeente maakt zij daar civielrechtelijk gezien geen aanspraak op. Dit is anders dan bij verstrekking van een hulpmiddel in natura, waarbij het hulpmiddel enkel in bruikleen wordt verstrekt en eigendom van de gemeente blijft.
Een civielrechtelijk alternatief voor een wettelijke grondslag voor kostenverhaal, zoals het derdenbeding in een model SVB zorgovereenkomst, dient zich in deze situatie niet onmiddellijk aan.
Het lijkt bovendien niet mogelijk om een pgb voor de aanschaf op voorhand te weigeren. Weigering van een pgb is alleen mogelijk op grond van de limitatief opgesomde weigeringsgronden in artikel 2.3.6 van de Wmo 2015, bijvoorbeeld indien de kosten van een pgb hoger liggen dan een verstrekking in natura. Een weigering op grond van de verwachting dat een budgethouder op korte termijn zal overlijden, waardoor de kosten van een pgb naar verwachting hoger zullen liggen dan een verstrekking in natura, is niet erg sympathiek en zal bovendien al snel in strijd zijn met het discriminatieverbod.
Kortom, de uitspraak maakt het voor gemeenten lastig om in deze situatie te voorkomen dat met gemeenschapsgeld aangeschafte hulpmiddelen in het vermogen vallen van personen die niet zijn aangewezen op maatschappelijke ondersteuning. Dit is niet de bedoeling van de Wmo 2015 en niet wenselijk gelet op financiële uitdagingen waar gemeenten voor staan.