Menu

Zoek op
rubriek
Zorg&Sociaalweb
0

Geen ontwikkelingsbedreiging meer? Dan geen verlenging ondertoezichtstelling

De kinderrechter spreekt een ondertoezichtstelling uit als sprake is van een minderjarige van wie de ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en ouders en de minderjarige in een vrijwillig kader geen of onvoldoende hulp accepteren. De ondertoezichtstelling duurt een jaar, verlenging is mogelijk zolang aan de eisen is voldaan. Dit “gedwongen” kader is geregeld in artikel 1:255 e.v. Burgerlijk Wetboek. In dit artikel bespreek ik een specifieke casus en ga ik onder meer in op de consequentie van de beschikking van de kinderrechter.

3 juni 2022

Rechtbank Rotterdam aan het Wilhelminaplein

De casus

In de casus die heeft geleid tot bovenstaande beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Rotterdam waren er ernstige zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige omdat zij in de thuissituatie jarenlang getuige is geweest van huiselijk geweld tussen de ouders. De ouders spraken heel negatief over elkaar en haalden slecht gedrag bij elkaar naar boven. De moeder heeft de vader eens bedreigd met een mes. De spanningen en ruzies tussen de ouders hebben veel impact gehad op de minderjarige. In het afgelopen jaar hebben de ouders een aantal maanden gescheiden van elkaar geleefd. Dat was de reden voor de rechter om een ondertoezichtstelling uit te spreken. De Gecertificeerde Instelling (GI), belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling heeft vervolgens gevraagd om verlenging van de ondertoezichtstelling.

De beoordeling door de kinderrechter

De kinderrechter overweegt dat ouders in het afgelopen half jaar stappen hebben gezet in de goede richting: tijdens de zitting hebben ze aangegeven dat hun relatie is hersteld en dat ze weer samenwonen. De moeder heeft (psychologische) hulp gezocht bij de praktijkondersteuner en hulp bij een zorgverlener, de vader heeft geleerd dat hij op een ander manier met de moeder moet communiceren. De GI, die heeft verzocht om verlenging, heeft geen actueel beeld van de thuissituatie: er is geen vaste jeugdbeschermer meer en de GI is al enige tijd niet bij de ouders thuis geweest. Met de minderjarige gaat het volgens de ouders maar vooral volgens de school beter. Ze moet met iemand kunnen praten over wat ze heeft meegemaakt en dat kan volgens de kinderrechter bij de intern begeleider van de school. Ouders stemmen ermee in dat de minderjarige hulp krijgt van de intern begeleider (mits ze zelf ook betrokken worden). Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen.

Noot

Als ouders of een kind hulp nodig hebben, kunnen ze het college van burgemeester en wethouders verzoeken een voorziening op het gebied van jeugdhulp te treffen: artikel 2.3 Jeugdwet. Als de hulp in dat vrijwillige kader niet voldoende is of niet geaccepteerd wordt en sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarige, komt het gedwongen kader in zicht: artikel 1:255 BW. Maar wanneer is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging? De wet preciseert dit begrip niet nader: in artikel 1:255 BW staat dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. In de casus die hier aan de orde is, heeft de kinderrechter vastgesteld dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging: er is sprake van huiselijk geweld, de minderjarige heeft als gevolg daarvan problemen, ouders zijn uit elkaar en communiceren niet met elkaar. Op zich is een ernstige ontwikkelingsbedreiging niet voldoende om te komen tot een ondertoezichtstelling. Duidelijk moet ook zijn dat de ouders (of de minderjarige) de noodzakelijke hulp niet accepteren. Aan beide eisen is voldaan, daarom heeft de kinderrechter de minderjarige onder toezicht gesteld.

De bij de ondertoezichtstelling aangewezen GI dient vervolgens ervoor te zorgen dat de noodzakelijke hulp wordt ingezet. In dit geval lijkt dat niet goed van de grond te zijn gekomen. Een vast jeugdbeschermer ontbreekt, concrete hulp is door de GI niet aangeboden en de GI heeft niet een actueel beeld van de thuissituatie. Die lijkt te zijn verbeterd: ouders zijn weer bij elkaar, moeder heeft hulp gezocht en gevonden, vader beseft dat hij anders moet communiceren met moeder en de minderjarige doet het, volgens de verklaring van de school, aanzienlijk beter en krijgt op school ook de nodige hulp. Onder die omstandigheden acht de kinderrechter geen sprake meer van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige. Ik zou menen dat ook aan de andere eis niet is voldaan: ouders blijken hulp te hebben gevonden en aanvaarden die hulp ook. De kinderrechter wijst dan ook verdere verlenging van de ondertoezichtstelling af.

Consequentie van de beschikking van de kinderrechter is dat ouders voor hulp weer bij de gemeente zullen aankloppen: ze zijn weer terug in het vrijwillige kader van de Jeugdwet. Voor ouders een positieve ontwikkeling. Wat me wel bezig houdt, is dat de GI kennelijk in de zes maanden voorafgaande aan de behandeling ter zitting geen concrete hulp heeft aangeboden. Een vaste jeugdbeschermer ontbreekt en de GI heeft geen actueel beeld van de thuissituatie. Dat betekent dat de kinderrechter zich moet baseren op verklaringen van de ouders en een verklaring van de school over het wel en wee van de minderjarige. Het is te hopen dat de gemeente, waarin de minderjarige is ingeschreven, dat zicht op de thuissituatie wel heeft en houdt. Uiteindelijk gaat het erom dat de minderjarige veilig en gezond opgroeit naar zelfstandigheid.

Artikel delen