Menu

Zoek op
rubriek
Zorg&Sociaalweb
0

Inzage van een openbare Facebookpagina: een gerechtvaardigde inbreuk op de privacy?

Is het inzien van gegevens op een Facebookpagina een gerechtvaardigde inbreuk op de privacy? Ja, zegt de Centrale Raad van Beroep (Raad) in de uitspraak van 31 mei 2022. In deze jurisprudentie-samenvatting leg ik uit hoe dat zit en wat de betekenis is van deze uitspraak.

11 juli 2022

Samenvatting

Naar aanleiding van een anonieme melding dat de betrokkene meerdere dagen in de week in een kapsalon zou werken, had de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar het recht op bijstand van deze betrokkene. Van deze werkzaamheden zouden foto’s te zien zijn op een Facebookpagina. In het kader van dit onderzoek heeft de sociale recherche onder meer internetonderzoek gedaan, waarbij de openbaar toegankelijke Facebookpagina van de betrokkene is ingezien. De bevindingen van het onderzoek waren vervolgens voor het college aanleiding om de bijstand van de betrokkene te beëindigen, in te trekken en terug te vorderen. Dit op de grond dat de betrokkene de inlichtingenverplichting had geschonden door geen melding te maken van zijn werkzaamheden in de kapsalon. Als gevolg daarvan kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

In hoger beroep was onder andere in geschil of het college de onderzoeksbevindingen aan de besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Volgens de betrokkene vormde het uitgevoerde internetonderzoek een inbreuk op zijn privacy en voldeed het niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het zou daarom in strijd zijn met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).  

De Raad heeft de betrokkene hierin niet gevolgd. De Raad heeft hiertoe overwogen dat het inzien van gegevens op de Facebookpagina van de betrokkene weliswaar een inbreuk vormt op zijn recht op privacy, zoals beschermd bij artikel 8 van het EVRM, maar dat de onderzoeksbevoegdheid die voortvloeit uit artikel 53a, zesde lid, van de Participatiewet (PW) hiervoor een toereikende wettelijke grondslag vormt in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Het college heeft de gegevens van de betrokkene op Facebook geraadpleegd om onderzoek te verrichten naar het recht op bijstand. Dit kan worden gezien als het behartigen van het belang van het economisch welzijn van Nederland, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM, omdat daaronder mede wordt begrepen het tegengaan van misbruik en fraude van sociale uitkeringen. Dit is daarom een gerechtvaardigd doel in de zin van die bepaling.

Het inzien van de gegevens voldoet volgens de Raad ook aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Het college heeft naar aanleiding van de melding de Facebookpagina van de betrokkene geraadpleegd. De geraadpleegde gegevens zijn openbaar toegankelijk. Het raadplegen van de Facebookpagina vormde daarom een beperkte inbreuk op het recht op privéleven van de betrokkene. Er was niet een minder ingrijpende manier om een goed inzicht te krijgen in de activiteiten van de betrokkene.

Betekenis uitspraak

Artikel 53a van de PW ziet op de verstrekking van gegevens en bewijs door de betrokkene en op de bevoegdheid van het college om onderzoek te doen. Uit het zesde lid van dit artikel volgt dat het college bevoegd is om onderzoek te doen naar de juistheid van de door de betrokkene verstrekte gegevens. Deze bevoegdheid kan steeds en spontaan worden uitgeoefend. In beginsel is geen voorafgaand en redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist. Het college bepaalt de reikwijdte van het onderzoek en de onderzoeksmethodes. Hierbij moet het college wel rekening houden met rechtswaarborgen als het huisrecht, het recht op privéleven en het verbod van discriminatie. 

Zoals eerder vermeld, is het recht op respect voor het privéleven onder andere vastgelegd in artikel 8 van het EVRM. In het tweede lid daarvan is bepaald: "Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen".  

Met de inzet van een onderzoeksmiddel zal doorgaans een inbreuk worden gemaakt op het recht op respect voor het privéleven. Onder meer omdat de inzet daarvan voor de betrokkene in meer of mindere mate voorzienbaar moet zijn, geldt de eis van de wettelijke grondslag. Artikel 53a, zesde lid, van de PW wordt in beginsel als een voldoende wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM gezien. Naarmate de inbreuk groter is, zal de eis van de voorzienbaarheid van het gebruik van het betreffende onderzoeksmiddel echter ook zwaarder wegen. Bij een ernstige inbreuk op het recht biedt artikel 53a, zesde lid, van de PW niet een voldoende wettelijke grondslag, omdat de voorzienbaarheid niet voldoende concreet is, aangezien de verschillende onderzoeksmiddelen daarin niet zijn vermeld.

De voorzienbaarheid kan echter ook op andere wijze worden gewaarborgd. Naast de eis van de voldoende concrete wettelijke grondslag, moeten de ingezette onderzoeksmiddelen onder meer voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Het vereiste van proportionaliteit houdt in dat het onderzoeksmiddel niet onevenredig zwaar of ingrijpend mag zijn ten opzichte van het beoogde doel. Het vereiste van subsidiariteit houdt in dat er geen minder zwaar of ingrijpend effectief onderzoeksmiddel beschikbaar mag zijn om het doel te bereiken. Is bewijs verkregen in strijd met het bepaalde in artikel 8 van het EVRM, dan wordt dit als onrechtmatig verkregen aangemerkt.

In deze zaak lag de vraag voor of 1) artikel 53a, zesde lid, van de PW een toereikende wettelijke grondslag biedt voor internetonderzoek, in het bijzonder het raadplegen van de Facebookpagina van de betrokkene en 2) dit onderzoek voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De Raad heeft beide vragen bevestigend beantwoord. De Raad heeft ten aanzien van de eerste vraag aangesloten bij het doel van het onderzoek, namelijk het behartigen van het belang van het economisch welzijn van Nederland als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Ten aanzien van de tweede vraag heeft de Raad overwogen dat de geraadpleegde gegevens openbaar toegankelijk zijn en het raadplegen daarvan daarom een beperkte inbreuk vormt op het recht op privéleven van de betrokkene (proportionaliteitsvereiste). Ook was er volgens de Raad niet een minder ingrijpende manier om een goed inzicht te krijgen in de activiteiten van de betrokkene (subsidiariteitsvereiste).

Een kwestie die in deze uitspraak niet aan de orde is gesteld, wellicht omdat hierover geen geschil bestond, is de vraag in hoeverre er überhaupt sprake is van een inbreuk op de privacy bij het gebruiken van openbare bronnen, zoals een openbaar toegankelijke Facebookpagina. De hoofdregel is echter dat bestuursorganen persoonsgegevens uit openbare bronnen niet vrijelijk mogen gebruiken. Bestuursorganen hebben dus ook bij het gebruik van gegevens uit openbare bronnen de verplichting na te gaan of er een grondslag is om dit te mogen doen. Dit volgt uit de Algemene Verordening Gegevensbescherming en volgde ook al uit de Wet bescherming persoonsgegevens. Er is dus ook in het geval van het gebruik van openbare bronnen wel degelijk sprake van een inbreuk op de privacy.

Artikel delen