Menu

Zoek op
rubriek
Zorg&Sociaalweb
0

Jurisprudentie CRvB: de redelijke termijn voor behandeling in drie instanties

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in een uitspraak van 11 mei 2022 (1) geoordeeld dat appellant recht heeft op immateriële schadevergoeding, omdat de redelijke termijn is overschreden en er geen aanknopingspunten zijn die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. Maar wanneer wordt de redelijke termijn overschreden? En onder welke voorwaarden is de overheid een schadevergoeding verschuldigd?

21 juni 2022

Omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de redelijke termijn

Artikel 6 van het EVRM beschermt het recht op een eerlijk proces. Dit recht houdt ook in dat een juridisch geschil binnen een redelijke termijn moet worden afgedaan. De overheid moet schadevergoeding betalen als de redelijke termijn wordt overschreden.

In de jurisprudentie is bepaald dat wanneer een bestuursrechtelijk geschil bestaat uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties, dit binnen vier jaar moet worden afgewikkeld. (2) De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep mag ten hoogste twee jaar duren. (3) Er kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen die aanleiding kunnen geven tot een verkorting van die termijnen, wanneer bijvoorbeeld het belang van de betrokkene op spel staat. (4) Wanneer er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, dan kunnen er ook aanknopingspunten zijn die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. Deze aanknopingspunten zijn:

  • de ingewikkeldheid van de zaak;

  • de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld;

  • het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang;

  • de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant. (5)

Is er geen sprake van een uitzondering, dan heeft de appellant recht op immateriële schadevergoeding van 500 euro voor ieder half jaar overschrijding. (6)

Uitspraak: schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

Appellant maakt bezwaar tegen een besluit van het UWV van 17 januari 2017. Het bezwaarschrift wordt door het UWV op 17 februari 2017 ontvangen. Appellant stelt vervolgens beroep in. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 9 oktober 2017. Ten slotte heeft appellant hoger beroep ingesteld. Het hoger beroepschrift is op 25 oktober 2018 ontvangen door het CRvB. Op 18 oktober 2021 heeft het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Vanaf de ontvangst door het UWV op 17 februari 2017 van het bezwaarschrift van appellant tot 11 mei 2022, de datum waarop de CRvB de uitspraak doet, zijn circa vijf jaar en twee maanden verstreken.

De behandeling van het bezwaar heeft twee weken te lang geduurd. Het beroep is binnen de maximale termijn afgehandeld en de behandeling van het hoger beroep heeft een jaar en zes maanden te lang geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is overschreden. De CRvB is dus met name zelf debet geweest aan de overschrijding van de behandeltermijn. Wij zouden het wel sympathiek vinden als de CRvB in dit soort gevallen het boetekleed aan zou trekken door de eigen verantwoordelijkheid voor de termijnoverschrijding wat duidelijker naar voren te laten komen.

Uit de uitspraak volgt dat de appellant recht heeft op schadevergoeding van 1500 euro (3x 500 euro). De schadevergoeding komt zowel voor rekening van de Staat voor het overschrijden van de termijn in de rechterlijke fase als van het UWV voor overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke fase.

Kortom: de CRvB oordeelt - geheel volgens de lijnen van de rechtspraak - dat in deze uitspraak voor de redelijke termijn voor behandeling in drie instanties is overschreden en de appelante recht heeft op schadevergoeding.

Extra reden voor bestuursorganen om behandeltermijn van bezwaren binnen de perken te houden

Hoewel deze uitspraak niets lijkt te wijzigen aan de stand van het recht, is het voor verwerende bestuursorganen wel een herinnering dat ze – ook als ze geen ingebrekestelling hebben ontvangen – rekening moeten houden met een veroordeling tot schadevergoeding als ze de beslistermijn in de bezwaarprocedure (te ruim) overschrijden.

Aangezien de beslistermijn in de bezwaarprocedure over het algemeen achttien weken kan bedragen, (7) komt een overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM al vrij snel in beeld bij niet tijdig beslissen op bezwaar. Anderzijds wordt de schadevergoeding in beginsel alleen toegekend op verzoek (8) en verzoeken eisers na een overschrijding van de redelijke termijn lang niet altijd om een schadevergoeding. (9) Belangrijk hierbij is dat op grond van artikel 6 EVRM geen aanspraak op schadevergoeding bestaat als er sprake is van een te lange behandelingsduur in de bezwaarfase, maar het geschil daarna niet aan de rechter wordt voorgelegd. (10) Bovendien zijn de achterstanden waar de CRvB lange tijd mee te kampen had inmiddels weggewerkt. (11) Mogelijk zal het aantal schadevergoedingen wegens een te lange behandeltermijn daarom weer wat teruglopen in de toekomst.

Het is echter niet uitgesloten dat het grote aantal uitspraken (12) van de CRvB waarin de Staat of bestuursorganen worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ertoe leidt dat burgers relatief steeds vaker om deze schadevergoeding gaan verzoeken. De kans daarop lijkt ons niet denkbeeldig.

De burger heeft recht op een tijdige beslissing. Wanneer er toch sprake is van een te langdurige procedure, kan de betrokkene een beroep doen op artikel 6 EVRM en een verzoek indienen tot immateriële schadevergoeding. Overheidsinstanties dienen uiteraard altijd te streven naar tijdige afhandeling van bezwaar en beroep. De immateriële schadevergoeding kan dat streven wellicht nog wat extra kracht bijzetten.

  1. CRvB 11 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1058.

  2. Zie de ‘rechtseenheidsuitspraak’ hierover: ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188.

  3. Zie onder andere CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009, rechtsoverweging 5.1 en CRvB 16 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2913, rechtsoverweging 4.8.2.

  4. Zie bijvoorbeeld: HR 9 februari 1993, nr. 93293, NJ 1993/603 (inzake een gedetineerde verdachte) en EHRM 8 februari 1996, nr. 20826/92, A and Others v. Denmark, ECLI:CE:ECHR:1996:0208JUD002082692, NJ 1997/286 (inzake een Aidspatiënt).

  5. Onder meer het arrest van 27 juni 2000 inzake Frydlender tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2000:0627JUD003097996, en het arrest van 29 maart 2006 inzake Pizzati tegen Italië, ECLI:CE:ECHR:2006:0329JUD006236100.

  6. Vergelijk CRvB 16 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3989, rechtsoverweging 3.3.

  7. Dit volgt uit artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht: indien een bezwaarcommissie is ingesteld 12 weken, plus ten hoogste 6 weken verdagen.

  8. Zie bijvoorbeeld CRvB 17 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1712, rechtsoverweging 4.1.

  9. Jaarverslag CRvB 2021 : op pagina 9 staat dat er sinds 2019 ongeveer 2.000 zaken zijn weggewerkt, waarvan alleen al 753 oude zaken in de werkstroom Sociale verzekeringen. Tegelijkertijd levert de combinatie zoekwoorden “schadevergoeding, redelijke en overschrijding” en de instantie CRvB, in de periode van 1 januari 2019 tot begin juni 2022, 548 resultaten op rechtspraak.nl.

  10. Zie ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, rechtsoverweging 4.4.1.

  11. Jaarverslag CRvB 2021 , onderaan p. 10.

  12. De in noot 9 genoemde zoekterm levert meer dan 1200 resultaten op. Uit een steekproef blijkt dat dit vrijwel allemaal resultaten zijn waarin een schadevergoeding wordt toegekend voor overschrijding van de redelijke termijn.