Menu

Zoek op
rubriek
Zorg&Sociaalweb
0

Jurisprudentie rechtbank Midden-Nederland: burgerlus

Op 3 mei 2022 heeft de rechtbank Midden-Nederland een interessante uitspraak gedaan. (1) In deze tussenuitspraak krijgt de eiseres van de rechtbank de gelegenheid om onderzoek te laten verrichten: zij kan zodoende binnen de door de rechtbank bepaalde termijn (zes weken) haar standpunt nader onderbouwen. Pas in de einduitspraak zal de bestuursrechter verder gaan beslissen. Deze ‘pauzeknop’ in een bestuursrechtelijke procedure kenden we al voor het herstellen van een gebrek door een bestuursorgaan; de bestuurlijke lus. In deze jurisprudentiesignalering gaan we, na een korte bespreking daarvan, in op waar de rechtbank Midden-Nederland nu mee komt; (2) de burgerlus.

8 juni 2022

Samenvatting

Samenvatting

Bestuurlijke lus – artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht

De bestuurlijke lus houdt in dat de bestuursrechter een bestuursorgaan onder bepaalde voorwaarden in de gelegenheid kan stellen om een gebrek te (laten) herstellen (artikel 8:51a Awb). De bestuursrechter doet dan een tussenuitspraak, waarin staat hoe dat gebrek kan worden hersteld (artikel 8:80a, eerste en tweede lid, Awb). (3) Een recent voorbeeld biedt een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juni 2022: Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 20 weken na verzending van deze tussenuitspraak deze gebreken te herstellen. De raad dient daarvoor met inachtneming van deze uitspraak een onderzoek uit te (laten) voeren op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro naar de behoefte van de nieuwe stedelijke ontwikkeling. (4)

De bestuurlijke lus past op zich goed bij de ambitie dat de bestuursrechter geschillen zoveel mogelijk definitief beslecht (artikel 8:41a Awb). Zo’n ‘pauzeknop’ kan er immers voor zorgen dat het besluit in kwestie vervolgens overeind kan blijven zodat er duidelijkheid ontstaat over de uitkomst van het geschil. Een vernietiging waarna het bestuursorgaan weer een nieuw appellabel besluit neemt en waarop dan weer nieuwe procedures kunnen volgen, kan veel tijd en onzekerheid betekenen. Een aardig instrument dus. Maar je kan je zeer wel afvragen: is het eerlijk dat artikel 8:51a het de bestuursrechter mogelijk maakt om aan het bestuursorgaan zo’n herstelkans te bieden, maar aan de burger niet? In de woorden van bestuursrechter en wetenschapper André Verburg: Omdat de bestuursrechter finaal wil beslissen, geeft hij wel het bestuursorgaan gelegenheid om nieuwe argumenten en nieuw bewijs in te brengen (vooral zichtbaar bij de bestuurlijke lus), maar als aan de zijde van de appellerende burger sprake is van tekort schietende argumentatie of te kort schietend bewijs, houdt hij zijn kiezen op elkaar (de ontbrekende burgerlijke lus). (5)

Uitspraak – burgerlijke lus

In deze uitspraak houdt de bestuursrechter de kiezen niet op elkaar. Een burgerlijke lus – in de inhoudsindicatie van rechtspraak.nl wordt gesproken van een ‘burgerlus’ – wordt in de tussenuitspraak toegepast.

Het gaat om een zaak betreffende de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen waarin de opvattingen van eiseres en het bestuursorgaan (de Raad van bestuur van het UWV) verschillen over de mate van arbeidsongeschiktheid. Wij citeren de onzes inziens in het kader van het fenomeen burgerlus twee meest relevante rechtsoverwegingen uit de uitspraak.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich mogen baseren op de medische beoordeling van de verzekeringsartsen van verweerder. Verweerders besluitvorming is zorgvuldig verlopen. De rechtbank ziet zelf geen aanleiding om een nader psychiatrisch onderzoek te gelasten. (…) Eisers heeft verzocht om de gelegenheid te krijgen om zelf een nader psychiatrisch onderzoek te laten verrichten om haar beroepsgronden te onderbouwen, in het geval waarin de rechtbank daartoe niet overgaat. De rechtbank ziet aanleiding eiseres daartoe in de gelegenheid te stellen. Om (alsnog) twijfel te kunnen zaaien over de medische beoordeling van de verzekeringsartsen van verweerder, is namelijk een rapport van een medisch deskundige nodig. In het licht van de goede procesorde moet iemand zijn beroepsgronden tijdig en adequaat onderbouwen, maar in dit geval is door eiseres een uitgebreid en principieel standpunt ingenomen over de zorgvuldigheid van verweerders onderzoek en de noodzaak voor de rechtbank om een deskundige te benoemen. Tegen deze achtergrond is het voorstelbaar dat eiseres het oordeel van de rechtbank daarover eerst afwacht, ook omdat het zelf laten verrichten van psychiatrisch onderzoek kostbaar is. Eiseres krijgt nu dus alsnog de kans dat onderzoek op eigen gelegenheid te laten verrichten, waarvoor de rechtbank het onderzoek zal heropenen. De rechtbank sluit hierbij zoveel mogelijk aan bij de bepalingen in Algemene wet bestuursrecht, in het bijzonder artikel 8:51a, artikel 8:80a en artikel 8:80b van de Awb. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen eiseres haar standpunt nader kan onderbouwen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. (6)

Kortom: de rechtbank biedt eiser de gevraagde mogelijkheid zelf nader onderzoek te laten doen om daarmee haar gronden te onderbouwen. Naar onze mening is dit een goede zaak. De rechter gaat met een terechte souplesse met de zaak om – de Awb biedt de rechter immers (nog (7)) niet de handvatten –, door simpelweg aan te geven aan te sluiten bij artikel 8:51a, 8:80a en 8:80b. Daarmee wordt een goede stap gezet naar een eerlijker, gebalanceerder bestuurs(proces)recht, waar er hopelijk nog meer van zullen volgen.

  1. Rechtbank Midden-Nederland 3 mei 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1721.

  2. Vergelijk recent ook Rechtbank Den Haag 12 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:3491, rechtsoverweging 15.

  3. Zonder tussenuitspraak kan ook. Dan spreek je van een ‘informele bestuurlijke lus’. Zie http://www.stibbeblog.nl/all-blog-posts/environment-and-planning/faq-de-bestuurlijke-lus/.

  4. ABRvS 1 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1539, rechtsoverweging 12.

  5. D.A. Verburg, Bestuursrechtspraak in balans. Bejegening, beslechting en bewijs (diss. Utrecht), Den Haag: Boom juridisch 2019, p. 238.

  6. Rechtsoverwegingen 7 en 8.

  7. Vergelijk Kamerstukken II 2021/22, 35925 VI, 115.