Menu

Zoek op
rubriek
Zorg&Sociaalweb
0

Krijgt het Kinderrechtenverdrag meer invloed in het bestuursrecht?

In een uitspraak van de rechtbank Den Haag verbindt de bestuursrechter belangrijke gevolgen aan het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (hierna: IVRK). Opmerkelijk is dat de rechter in dat kader de kinderen betrekt in een bestuursrechtelijke beroepsprocedure. In deze bijdrage zal ik eerst de casus en het oordeel van de rechter bespreken. Daarna volgt een noot over het IVRK en de gevolgen van dat verdrag voor de bestuursrechtelijke beroepspraktijk.

7 september 2022

Rechtbank Den Haag

De casus

Het gaat in deze zaak over een moeder met een tweeling die in Aruba wonen. Daar blijken de beide jongens een ernstige aandoening te hebben. Die kan in Aruba niet goed behandeld worden. Reden waarom moeder met de kinderen naar Nederland verhuist in juli 2019. Vanaf september 2019 krijgt ze een uitkering op grond van de Participatiewet. De kinderen gaan vanaf die maand naar de basisschool. Ze staan enige tijd ingeschreven op een briefadres van de daklozenopvang.

In februari 2020 vraagt de moeder aan het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) kinderbijslag aan. In juni van dat jaar weigert de SVB de kinderbijslag omdat de moeder vanaf het eerste kwartaal van 2020 niet woont of werkt in Nederland. Op 1 januari 2020 heeft zij geen duurzaam persoonlijke band met Nederland, omdat zij nog maar een korte periode in Nederland verblijft en uit de andere omstandigheden blijkt niet dat sprake is van een duurzame persoonlijke band met Nederland.

Het besluit op bezwaar

In bezwaar komt de SVB tot een andere conclusie. Het bezwaar is gegrond voor zover het ziet op het tweede kwartaal van 2020. Het primaire besluit wordt gehandhaafd voor zover het betrekking heeft op het vierde kwartaal 2019 en het eerste kwartaal 2020. In zoverre wordt het bezwaar ongegrond verklaard. Op 1 oktober 2019 en op 1 januari 2020 had de moeder volgens de SVB nog geen duurzame persoonlijke band met Nederland had, omdat zij relatief kort in Nederland was, niet over vaste woonruimte beschikte en geen inkomen had uit werkzaamheden in Nederland. De overige feiten en omstandigheden, namelijk een afgeleid verblijfsrecht om in de Europese Unie te kunnen verblijven met haar kinderen, een bijstandsuitkering en aanwezigheid van specialistische medische hulp in Nederland voor haar kinderen, duiden volgens de SVB in onderlinge samenhang bezien niet op een duurzame persoonlijke band met Nederland.

Het beroep

In beroep voert de moeder onder andere aan dat uit het IVRK volgt dat de belangen van de kinderen afgewogen dienen te worden tegen de andere belangen en dat de belangen van de kinderen daarbij voorop dienen te staan. Daarnaast dienen de kinderen ook betrokken te worden bij de besluitvorming. Ze doet ook een expliciet beroep op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) over de werking van het IVRK in kinderbijslagzaken op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). (1)

De CRvB overweegt in die uitspraak dat uit het IVRK kan worden afgeleid dat de staten het respect voor de ontwikkeling van het kind moeten waarborgen en dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat dit verdrag echter geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is zich bewust van laatstgenoemd toetsingskader en doet vervolgens iets dat je niet vaak ziet in het bestuursrecht: zij hoort de kinderen. Letterlijk overweegt de rechtbank:

“Om die toetsing voldoende invulling te geven en mede gelet op de brief van de kinderarts in het dossier, heeft de rechtbank aanleiding gezien om [zoon 1] en [zoon 2] te horen. De grondslag voor dat gesprek met de kinderen vindt de rechtbank in artikel 12 van het IVRK . Dat artikel schrijft namelijk voor dat het kind in de gelegenheid wordt gesteld om te worden gehoord in iedere gerechtelijke en bestuurlijke procedure die het kind betreft, op een wijze die verenigbaar is met de procedureregels van het nationale recht.”

Daarna oordeelt de rechtbank dat het besluit op bezwaar niet in stand kan blijven: de aanwezigheid van zeer specialistische medische hulp voor beide kinderen had al direct op 1 oktober 2019 aanleiding moeten zijn tot het aannemen van een voldoende duurzame band van persoonlijke aard tussen de moeder en Nederland. Vervolgens voorziet de rechtbank zelf in de zaak door te bepalen dat aan de moeder ook over de beide kwartalen kinderbijslag wordt toegekend.

Noot

Het is opmerkelijk dat de rechtbank de kinderen hoort. En die constatering is vervolgens ook weer opmerkelijk. Het IVRK schrijft immers voor in artikel 12, waarnaar de rechtbank terecht verwijst, dat kinderen in de gelegenheid moeten worden gesteld door het bestuur en door de rechter om te worden gehoord. Dat is in het civiele recht bijvoorbeeld de reden dat in alle procedures betreffende minderjarigen het kind, mits ouder dan 12 jaar, wordt gehoord: artikel 809 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. (2)

Artikel 12 ziet niet alleen op de rechter maar ook op het bestuur. De opdracht van artikel 12 is dat ook het bestuur het kind hoort in alle aangelegenheden betreffende minderjarigen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit met zoveel woorden ook overwogen in een vreemdelingenzaak waarin een terugkeerbesluit ten aanzien van een minderjarige vreemdeling centraal stond:

Het recht van minderjarigen om te worden gehoord in een terugkeerprocedure waarbij zij betrokken zijn of die hen aanbelangt, is een integrerend onderdeel van elke vaststelling van het belang (zie artikel 12 van het Verdrag inzake de rechten van het kind), en moet worden geëerbiedigd als een grondrecht dat wordt erkend als een algemeen beginsel van het EU-recht, dat in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is vastgelegd. Dit houdt ook in dat naar behoren rekening wordt gehouden met de opvattingen van minderjarigen, met hun leeftijd en maturiteit en met eventuele communicatieproblemen die zij hebben om deze participatie zinvol te maken, en dat het recht van de minderjarige om zijn mening vrijelijk kenbaar te maken wordt gerespecteerd.” (3)

De Afdeling verzuimde helaas vervolgens de minderjarige zelf te horen in de hoger beroepsprocedure.

De rechtbank Overijssel hoort kinderen in het kader van bestuursrechtelijke beroepen op grond van de Jeugdwet al vanaf de inwerkingtreding van de Jeugdwet. (4) Inmiddels horen ook andere rechtbanken kinderen in Jeugdwetzaken. (5) De Centrale Raad van Beroep, hoogste bestuursrechter in Jeugdwetzaken, hoort, ondanks de verdragsrechtelijke verplichting van het IVRK, kinderen niet. In de bestuurlijke fase, bij de bezwarencommissies van gemeente, worden kinderen in toenemende mate gehoord. Uit eigen ervaring weet ik dat het horen van een kind bijdraagt aan een verbetering van het inzicht in de zaak en tot een betere beslissing leidt. Daar zou eigenlijk geen IVRK voor nodig zijn. Want ieder bestuursorgaan wil toch besluiten nemen die goed zijn en iedere rechter wil toch uitspraken doen die tegemoetkomen aan het recht.

Het is, gelet hierop, volkomen terecht dat de rechtbank Den Haag de kinderen gehoord heeft. Het zou me, gelet op mijn eigen ervaring, ook niet verbazen dat het horen van de kinderen in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het uiteindelijke oordeel van de rechtbank. En reeds daarmee is het belang van het horen van de kinderen voldoende duidelijk. Het zou mooi zijn als ook de hogerberoepsrechters ook werk gaan maken van het horen van kinderen.

  1. CRvB 12 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:662.

  2. Binnen de rechtbanken wordt geëxperimenteerd met en gediscussieerd over het horen van kinderen vanaf de leeftijd van 8 jaren. Kinderen in Duitsland worden vanaf 4-jarige leeftijd (op hun niveau) gehoord.

  3. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530.

  4. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Overijssel 18 april 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:1380.

  5. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Gelderland 21 oktober 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:5619.

Artikel delen