Menu

Zoek op
rubriek
Zorg&Sociaalweb
0

Mantelzorgwoning in strijd met vigerende bestemmingsplan: Beroep op vertrouwensbeginsel en handhaving

Het college van de gemeente Lingewaard heeft een last onder dwangsom opgelegd inhoudende het verwijderen van een mantelzorgwoning. Het perceel waarop de woning is gebouwd heeft gedeeltelijk de bestemming “Wonen” en “Agrarisch met waarden”. Ten aanzien van het stuk op de agrarische grond, geldt dat dit in strijd is met het vigerende bestemmingsplan. Er is een omgevingsvergunning bouwen en strijdig gebruik nodig (artikel 2.1 lid 1 onder a en c Wabo). De initiatiefnemer had deze aangevraagd, maar door het niet tijdig en volledig aanleveren van benodigde gegevens, is de aanvraag niet in behandeling genomen. Daarna is geen nieuwe aanvraag gedaan.

5 mei 2022

Samenvatting

Samenvatting

Om deze reden besluit het college handhavend op te treden. De initiatiefnemer beroept zich op het vertrouwensbeginsel. Volgens hem heeft een medewerker van de Omgevingsdienst telefonisch toegezegd dat hij de mantelzorgwoning vergunningvrij mag bouwen. In dit geval hebben twee personen het telefoongesprek kunnen volgen en hierover een schriftelijke verklaring afgegeven.

Bij een beroep op het vertrouwensbeginsel dient aannemelijk te worden gemaakt dat de overheid toezeggingen heeft gedaan, ofwel andere uitlatingen of gedragingen heeft verricht, waaruit in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mag worden afgeleid dat het bestuursorgaan een bevoegdheid zou uitoefenen. Ten tweede moet dit aan het bestuursorgaan kunnen worden toegerekend. Tot slot dient een belangenafweging te worden gemaakt. Opmerking verdient dat deze stappen ook zijn toegepast in een eerdere uitspraak van de Afdeling (zie ECLI:NL:RVS:2019:1694).

In de onderhavige zaak stelt het college dat de Omgevingsdienst onvoldoende informatie heeft gehad om hier concrete uitspraken over te kunnen doen. Zo waren geen exacte locatie en afmetingen kenbaar. Voorts ziet het college geen mogelijkheid om de gebouwde mantelzorgwoning te legaliseren, omdat dit gezien de agrarische bestemming in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en het perceel onderdeel is van een landschappelijk lint in het buitengebied. Aangezien hiermee een wettelijk voorschrift is overtreden mag het college, gelet op het algemeen belang, handhavend op te treden. Enkel onder bijzondere omstandigheden mag van handhaving worden afgezien, zoals bij concreet zicht op legalisatie. Uit een eerdere uitspraak van de Afdeling blijkt dat “voor het concreet zicht op legalisatie is ten minste vereist dat een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend (ECLI:NL:RVS:2019:3723)”.

De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het beroep op het vertrouwensbeginsel in dit geval niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college mag afzien van handhaving. Bovendien heeft de initiatiefnemer niet aannemelijk gemaakt dat in het telefoongesprek toezeggingen zijn gedaan waarop hij mocht vertrouwen. Hierbij baseert de rechter zich op e-mailcontact tussen initiatiefnemer en de Omgevingsdienst. In deze e-mail wordt gevraagd of een bestaande schuur verbouwd gaat worden of dat er een verplaatsbare unit wordt geplaatst. Hiervoor zet de Omgevingsdienst de vereisten uiteen. Om deze reden is onvoldoende aannemelijk dat initiatiefnemer uitdrukkelijk zijn bedoeling van het bouwen van een grondgebonden mantelzorgwoning op agrarische grond bekend heeft gemaakt. Verder ontkent Omgevingsdienst de toezegging. Dit maakt dat hetgeen initiatiefnemer en de twee personen verklaren over het telefoongesprek ongeloofwaardig. Tevens heeft initiatiefnemer zich pas in het handhavingstraject op het vertrouwensbeginsel beroepen en dit komt zijn geloofwaardigheid niet ten goede. Ten slotte heeft initiatiefnemer na buitenbehandelingstelling geen nieuwe vergunningaanvraag gedaan, waardoor niet gesproken kan worden over zicht op legalisatie.

Artikel delen