Menu

Zoek op
rubriek
Zorg&Sociaalweb
0

Rechtbank Oost-Brabant: toepassing van artikel 13b Opiumwet overruled door afspraken in sociaal domein-sfeer

In een recente uitspraak heeft de Rechtbank Oost-Brabant een (voorlopige) streep gezet door de sluiting van een woning. (1) De burgemeester had beslist tot een sluiting van drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet (de Wet Damocles), omdat er bij een doorzoeking 307 gram cocaïne en een handvuurwapen waren aangetroffen. Sluiting is na de vondst van zo’n aanzienlijke hoeveelheid harddrugs en een vuurwapen niet heel verrassend. Waarom steekt de voorzieningenrechter hier dan toch een stokje voor?

21 november 2022

Op grond van artikel 13b Opiumwet kan kort gezegd de burgemeester een woning sluiten, indien drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. (2) Een recente uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant gaat over zo’n geval van sluiting. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening tegen die sluiting toegewezen en het besluit geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Dit terwijl er, zoals hierboven aangegeven, aanleiding was om te sluiten. Waarom ging de rechter dan toch in tegen de burgemeester? Hieronder vatten wij de uitspraak samen en gaan wij bovendien nog kort in op een alternatief voor sluiting: het opleggen van een last onder dwangsom.

De zaak

Verzoekers zijn al 28 jaar huurders van de woning in kwestie. Omdat het gezin van hun dochter (hun dochter zelf en zeven van haar acht minderjarige kinderen) dakloos dreigde te worden, is door Bureau Jeugdzorg, Veilig Thuis en wijkagenten gevraagd of zij de dochter en haar zeven kinderen tijdelijk in hun woning op willen nemen:

“Verzoekers wilden dat aanvankelijk niet vanwege de betrokkenheid van de dochter bij drugs(delicten) in het verleden. Na twee gesprekken met genoemde partijen zijn verzoekers overstag gegaan. Daarbij is afgesproken dat Jeugdzorg twee keer in de week zou langskomen om te zien hoe het met de kleinkinderen gaat en dat de politie een oogje in het zeil zou houden. Verzoekers hebben de eerste twee maanden de kamers die de dochter en kleinkinderen gebruikten gecontroleerd op drugs. Omdat bij die controles geen drugs werden gevonden, zowel de dochter als verzoekers overdag werkten, er voor verzoekers geen andere aanwijzingen waren dat de dochter betrokken was bij drugs, zijn verzoeker met de controles opgehouden. Daarna, in april, is ook de schoonzoon in het weekend in de woning gaan verblijven; hij had begeleid verlof als sluitstuk van zijn strafrechtelijke detentie. Jeugdzorg is inderdaad steeds twee keer per week in de woning geweest om de kleinkinderen te observeren. Op 27 juni 2022, de dag waarop de dochter en schoonzoon met hun gezin naar hun nieuwe woning zouden overgaan, heeft de politie een inval gedaan in de woning en zijn de drugs en het handvuurwapen in de slaapkamer van de dochter en de schoonzoon gevonden.” (3)

De burgemeester is overgegaan tot sluiting van de woning. Verzoekers zijn hiertegen in bezwaar gegaan en hebben bij de voorzieningenrechter een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan (namelijk schorsing van de sluiting tot en met het bezwaar).

Het oordeel van de rechter

De rechter komt tot het oordeel dat, hoewel de burgemeester het sluiten van de woning noodzakelijk mocht vinden, (4) de sluiting om de volgende redenen niet evenwichtig is:

  • verzoekers zijn niet betrokken bij de drugs;

  • zij hebben pas na gesprekken met de wijkagenten en anderen besloten het gezin tijdelijk op te nemen in de woning, terwijl het risico vanwege antecedenten voor iedereen duidelijk was;

  • de politie had juist ook een verantwoordelijkheid de risico’s voor verzoekers te minimaliseren en hen te beschermen, maar heeft “nadat zij de drugs (en het handvuurwapen) in de woning heeft aangetroffen, in de bestuurlijke rapportage de burgemeester slechts in overweging gegeven de woning te sluiten”;

  • de burgemeester had “in de omstandigheid dat verzoekers de controles in de woning niet hebben hervat nadat de schoonzoon in de woning is gaan verblijven hooguit een rechtvaardiging kunnen zien om verzoekers een waarschuwing te geven.” (5)

Kortom: verzoekers hebben met de genoemde instanties – Bureau Jeugdzorg, Veilig Thuis en de politie – meegewerkt, maar krijgen desalniettemin een sluiting van hun woning op hun bordje. Wij vinden de uitspraak van de rechter dat dit niet evenwichtig is, dan ook logisch.

Evenwichtigheid

In de uitspraak valt meermaals de term evenwichtigheid. In de Wet Damocles-overzichtsuitspraak uit 2019 komt die term nog niet voor, (6) maar in en sinds de bekende Harderwijk-uitspraak wel. (7)

In die uitspraak – die ook zag op een 13b-geval – is een verdere uitwerking door de Afdeling bestuursrechtspraak gegeven aan het evenredigheidsbeginsel:

“de Afdeling [zal], als de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, de (uitkomst van de) belangenafweging die ten grondslag ligt aan besluiten (…) toetsen aan de norm die is neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en niet langer het willekeurcriterium voorop (…) stellen. De toetsing aan het evenredigheidsbeginsel is afhankelijk van een veelheid aan factoren en verschilt daarom van geval tot geval. Geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid spelen daarbij een rol, maar de toetsing daaraan zal niet in alle gevallen op dezelfde wijze (kunnen) plaatsvinden. Zo maakt het verschil of het gaat om een algemeen verbindend voorschrift, een ander besluit van algemene strekking of een beschikking en ook of het gaat om een belastend besluit, een begunstigend besluit of een besluit met een hybride karakter. De intensiteit van de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wordt bepaald door onder meer de aard en de mate van de beleidsruimte van het bestuursorgaan, de aard en het gewicht van de met het besluit te dienen doelen en de aard van de betrokken belangen en de mate waarin deze door het besluit worden geraakt. Naarmate die belangen zwaarder wegen, de nadelige gevolgen van het besluit ernstiger zijn of het besluit een grotere inbreuk maakt op fundamentele rechten, zal de toetsing intensiever zijn.” (8)

Tegen die achtergrond – het sluiten van een woning is immers een ingrijpend besluit met zware gevolgen en artikel 8 EVRM (het mensenrecht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven) is in het geding – snappen wij de uitkomst van de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant, met aandacht voor specifiek de wel-/niet-evenwichtigheid van de sluiting, des te beter. Een intensieve toetsing op proportionaliteit/evenwichtigheid is dan terecht en met de omstandigheden in deze zaak, waarin de bewoners van de woning juist meewerkten aan verzoeken van de autoriteiten uit het sociaal domein en veiligheidsdomein, is de uitkomst dat de sluiting wordt geschorst begrijpelijk.

Maatwerk en dwangsom

Vermeldenswaardig is nog het slot van de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant: “De voorzieningenrechter geeft de burgemeester in overweging om bij het nog te nemen besluit op het bezwaar te bekijken of in dit geval een minder vergaande maatregel (bijvoorbeeld een bestuurlijke waarschuwing of een last onder dwangsom) niet passender is.” (9)

Het wijzen op minder ingrijpende opties past bij de parlementaire geschiedenis over de Opiumwet: gesproken wordt daarin namelijk wel van getrapte sanctionering met eerst ‘minnelijk vooroverleg, een schriftelijke waarschuwing of het opleggen van een dwangsom’ en een typering van een sluiting als het ‘ultimum remedium’. (10)

In het openbaar bestuur en het bestuurs(proces)recht staan de thema’s evenredigheid, evenwichtigheid en maatwerk de afgelopen jaren veel in de belangstelling. Het bij de toepassing van de Wet Damocles ook aan de last onder dwangsom denken als optie, past daar goed bij. (11) In recent Damoclesbeleid van sommige burgemeesters, een onderzoek uit 2021 van de Rijksuniversiteit Groningen over 13b – met als aanbeveling: “Overweeg de last onder dwangsom op te nemen in de handhavingsmatrix” – en in het in 2022 geactualiseerde ‘Stappenplan artikel 13b Opiumwet’ van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid, zie je dan ook toegenomen aandacht daarvoor. (12)

  1. Rb. Oost-Brabant 14 september 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:3912.

  2. Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet.

  3. Rechtsoverweging 12 van de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant.

  4. Rechtsoverwegingen 9 en 10.

  5. Rechtsoverweging 13.

  6. ABRvS 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912, AB 2020/274 m.nt. J.G. Brouwer, L.M. Bruijn en E.M. Breeuwsma. Zie met name rechtsoverweging 4 voor het 13b-beoordelingskader.

  7. ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285, AB 2022/120 m.nt. M. van Zanten.

  8. Rechtsoverweging 7.10.

  9. Rechtsoverweging 17.

  10. Kamerstukken II 2005/06, 30515, nr. 3.

  11. Zie uitgebreider hierover: Dominique Grootewal en Coen Modderman, ‘Damoclesbeleid, dwangsommen en maatwerk’, Nederlands Juristenblad 2022, afl. 34, p. 2816-2821.

  12. Zie paragraaf 3.3 van het zojuist aangehaalde artikel; L.M. Bruijn en M. Vols, Onderzoek toepassing artikel 13b Opiumwet, 2021, p. 121; CCV, Stappenplan artikel 13b Opiumwet geactualiseerd, 2022.