Menu

Zoek op
rubriek
Zorg&Sociaalweb
0

Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in een Jeugdwetzaak: Aalsmeer of Amstelveen?

De Centrale Raad van Beroep heeft op 6 april 2022 een uitspraak gedaan in een Jeugdwetzaak. Daarin heeft hij geoordeeld over het hoger beroep dat was ingesteld door een ouder tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam.

13 april 2022

Samenvatting

Samenvatting

De casus

In deze zaak ging het om een aanvraag van de vader zonder gezag. Hij wilde graag omgang met zijn kind en hij heeft het college verzocht om bekostiging van begeleide omgang. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat in een civiele zaak de kinderrechter geen omgangsregeling heeft vastgesteld. Daarbij heeft de kinderrechter geoordeeld dat pas sprake kan zijn van omgang tussen de kinderen en de vader als de omgang grondig is voorbereid door professionals. Het bezwaar van de vader is door het college ongegrond verklaard.

Het beroep in eerste aanleg

Bij de rechtbank is het besluit van het college in stand gebleven. De aanvraag van de vader ziet op de bekostiging van begeleide omgang, maar vaststaat, aldus de rechtbank, dat er geen omgangsregeling is. Er zijn dus ook geen kosten van begeleiding. Als er geen kosten zijn kan de gemeente ook niet een bekostiging toekennen. De beroepsgrond van de vader dat het verkeerde college (namelijk dat van Amstelveen en niet dat van Aalsmeer) het besluit heeft genomen leidde bij de rechtbank niet tot een ander oordeel. De ambtelijke organisatie werkt zowel voor de ene als voor de andere gemeente. Kennelijk is in dit geval het verkeerde briefpapier gebruikt maar ook voor de vader was het duidelijk dat het college van Aalsmeer het besluit heeft genomen. Dat bleek ook, aldus de rechtbank, uit het bezwaar dat de vader heeft ingediend: dat was gericht aan het college van Aalsmeer.

De beoordeling in hoger beroep

De vader stelt hoger beroep in en voert daarin uitsluitend aan dat het verkeerde college een besluit heeft genomen. De Centrale Raad van Beroep is het met het oordeel van de rechtbank op dit punt eens: hier is sprake van een vergissing, die ook voor de vader wel duidelijk moest zijn: niet het college van Amstelveen maar dat van Aalsmeer was bevoegd. Dat ook het verweerschrift van het college bij de rechtbank is ondertekend door het college van Amstelveen doet daaraan volgens de Centrale Raad van Beroep niet af. Uit de gedingstukken die van de vader afkomstig zijn blijkt niet dat hij zelf heeft getwijfeld van welk college de besluitvorming afkomstig was. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Noot

De Centrale Raad van Beroep is aan een inhaalrace begonnen, zo lijkt het. De afgelopen weken is, in verhouding tot eerdere perioden, een respectabel aantal uitspraken gedaan. De Raad wil zich nog niet branden aan heikele kwesties; de uitspraken die zijn gedaan betreffen niet de punten waarop in de praktijk veel onduidelijkheid bestaat. In dit geval ging het om een vader die geen gezag had en die omgang wilde met zijn kinderen. Als dat door de andere ouder niet wordt toegestaan, dan rest de niet-verzorgende ouder niets anders dan een gang naar de kinderrechter. Die zal vervolgens oordelen of omgang wel of niet moet plaatsvinden. Op grond van de wet dient er in beginsel omgang te zijn; het is ook in het belang van de ontwikkeling van het kind dat er omgang is met de andere ouder. Vaak beproeft de kinderrechter in dit soort situaties tijdens zitting of het mogelijk is omgang op gang te brengen door middel van begeleide omgang, bijvoorbeeld in een omgangshuis. Gaan ouders daarop in, dan zal de rechter de beslissing op het verzoek aanhouden en ouders in de gelegenheid stellen middels begeleide omgang het contact tussen niet-verzorgende ouder en kind op gang te brengen. Mogelijk volgt dat, na een te bepalen periode, een definitieve beslissing op het verzoek. Deze begeleide omgang is een voorziening op het gebied van jeugdhulp. Daarvoor dient het college van burgemeester en wethouders van de woonplaats van het kind een besluit als bedoeld in artikel 2.3 Jeugdwet te nemen. Vaak is het resultaat van begeleide omgang dat een omgangsregeling tussen niet-verzorgende ouder en kind tot stand komt. Die zal dan door de kinderrechter worden vastgelegd.

Niet altijd is omgang mogelijk. In dit geval heeft de kinderrechter geoordeeld dat pas van omgang sprake kan zijn nadat de kinderen daarop voldoende zijn voorbereid door professionals. Kennelijk heeft er het nodige gespeeld waardoor omgang, ook onder begeleiding, nog niet tot de mogelijkheden behoort. Daarvan uitgaande heeft het college besloten dat op dit moment een voorziening op het gebied van jeugdhulp niet nodig is. Een terechte beslissing, die ook terecht door rechtbank en Centrale Raad van Beroep in stand is gelaten. Wel erg onhandig dat daarbij het verkeerde briefpapier gebruikt is waardoor op zijn minst de indruk kan worden gewekt dat het verkeerde college een besluit heeft genomen. Deze kennelijke misslag leidt echter niet tot een vernietiging van het besluit.

Opvallend is dat de vader zonder gezag de aanvraag heeft ingediend. Er is voldoende jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (1) waaruit blijkt dat een ouder zonder gezag geen belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is bij besluiten die betrekking hebben op het kind. De vader zonder gezag is geen ouder in de zin van de Jeugdwet. In dit geval is de vader overigens wel ouder in de zin van het Burgerlijk Wetboek; de definities in beide wetten verschillen. Bij begeleide omgang gaat het echter niet om een besluit dat betrekking heeft op het kind maar op een besluit dat betrekking heeft op de omgang van de vader met het kind. Op grond van artikel 1:377a BW heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. De beslissing omtrent omgang heeft dus wel degelijk gevolgen die de vader rechtstreeks raken. Daarom is hij in dit geval, ondanks het feit dat hij geen ouder is in de zin van de Jeugdwet, wel belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

  1. ECLI:NL:CRVB:2016:1305 bijvoorbeeld

Artikel delen