CRvB 14 mei 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE3732
Aanvulling jongerennorm met bijzondere bijstand niet aan de orde als zelfstandig wonen niet noodzakelijk was en de noodzakelijke kosten van het bestaan op dat moment niet uitgingen boven de toepasselijke bijstandsnorm.
CRvB 15 juni 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP3595
Het college kan in afwijking van art. 45 lid 1 WWB de bijstand over een langere periode dan een kalendermaand vaststellen. Dit kan alleen voor zover het patroon van de inkomensverwerving en de hoogte daarvan daartoe aanleiding geeft.
CRvB 8 februari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS5197
Ziekenhuis wordt als ‘inrichting’ beschouwd. Daarom aanpassing bijstandsnorm vanwege verblijf in ziekenhuis.
CRvB 18 juli 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY4922
Voor het beoordelen van het recht op bijstand is de feitelijke woon- en leefsituatie van doorslaggevend belang. Dit geldt ook voor adreslozen. Ook adreslozen hebben de inlichtingenplicht.
CRvB 13 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV9578
Als de bijstandsuitkering van een schoolverlater niet beduidend hoger ligt dan het bedrag voor levensonderhoud dat in het kader van de studiefinanciering voor hem geldt en de kosten van levensonderhoud tijdens zijn studie om begrijpelijke redenen hoger waren dan het inkomen uit studiefinanciering, kan het college niet zonder meer de verlaging voor schoolverlaters toepassen maar moet zij eerst onderzoeken of de toepasselijke bijstandsnorm van belanghebbende nog aansluit bij de noodzakelijke kosten van het bestaan.
CRvB 2 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6123
De verplichting van het college de bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende maakt dat een verlaging van de bijstandsnorm mogelijk is in zeer bijzondere situaties. Het voeren van een sobere levensstijl is echter geen bijzondere situatie die afstemming van de bijstandsnorm rechtvaardigt aangezien algemene bijstand wordt verleend naar een all-in-norm en belanghebbende daarbij bestedingsvrijheid heeft.
Rechtbank Amsterdam 13 augustus 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:5503
Op verzoek van het college legt de cliënt de schriftelijke overeenkomst over en toont hij de betaling van de commerciële prijs aan door het overleggen van de bewijzen van betaling. De cliënt kan ook met andere schriftelijke stukken dan een schriftelijke huurovereenkomst aannemelijk maken dat er sprake is van een commerciële overeenkomst.
CRvB 10 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3931
Als een derde voor de cliënt maandelijks een bedrag voor huur, water, energie en eten betaalt, is sprake van een zeer bijzondere omstandigheid waardoor de bijstand kan worden verlaagd op grond van art. 18 lid 1. Belanghebbende hoeft immers deze kosten niet te voldoen uit de bijstandsnorm waardoor sprake is van een substantiële besparing en zijn bijstandsbehoevendheid minder wordt.
Rechtbank Oost-Brabant 26 mei 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:2689
Bij de beoordeling of er sprake is van een commerciële prijs in het kader van de kostendelersnorm dienen de feitelijk geleverde prestaties en hetgeen in het commerciële verkeer gebruikelijk is te worden afgezet tegen de huurprijs die door de cliënt wordt betaald.
CRvB 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3869
Het enkele feit dat een inwonende zorgbehoeftig is houdt niet in dat deze niet als kostendelende medebewoner kan worden aangemerkt.
CRvB 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3875
Bij de toepassing van de kostendelersnorm speelt de aard van het inkomen van de kostendelende medebewoners geen rol. Ook maakt het niet uit of de medebewoners de kosten feitelijk delen en of ze allemaal daadwerkelijk bijdragen in die kosten. Daarnaast zijn situaties waarin er sprake is van mantelzorg niet zijn uitgezonderd van de kostendelersnorm.
CRvB 6 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1600
Als compensatie ALO-kop bij een niet-rechthebbende partner aan de orde is, dan moet dat gebeuren door afstemming van de bijstandsnorm op grond van art. 18 lid 1 Pw in de vorm van algemene bijstand.
CRvB 7 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2415
Toepassing van de schoolverlatersverlaging mag er niet toe leiden dat de bijstandsnorm lager wordt vastgesteld dan het budgetbedrag WSF waar de cliënt als student recht op had.
CRvB 7 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2461
Het behoort tot de inlichtingenplicht van de cliënt om wijzigingen in de woonsituatie door te geven (bijvoorbeeld als er een kostendeler op het adres komt wonen of een inwonende stopt met de studie en daardoor de uitzonderingsgrond van art. 19a Pw vervalt).
CRvB 4 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4201
De gemeente mag een cliënt vragen om bewijsstukken om te kunnen beoordelen of een andere inwonende een commerciële huurder is. Als de cliënt dit echter niet kan bewijzen, is de gemeente verplicht zelf te onderzoeken of er sprake is van een commerciële relatie.
CRvB 7 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:13
De gemeente heeft de aanvraag voor bijstand terecht afgewezen omdat belanghebbende geen volledig huurcontract heeft ingeleverd. Deze informatie over de woon- en leefsituatie is van belang voor de vaststelling van het recht op bijstand. Dat belanghebbende vanwege een moeizame relatie met de verhuurder niet over een volledig huurcontract beschikt, komt voor eigen risico van belanghebbende.
CRvB 26-04-2022, ECLI:NL:CRVB:2022:946
In art. 32 lid 4 wordt inkomen van de niet-rechthebbende partner in aanmerking genomen voor zover het de bijstandsnorm te boven gaat. Deze bijstandsnorm is niet de 50%-norm maar de norm alleenstaande.
CRvB 27-09-2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1952
Echtpaar ontvangt WIA-uitkering en aanvullende bijstand. Door afbouw van de algemene heffingskorting hebben zij geen recht op de maximale toeslagen van de belastingdienst (zorg- en huurtoeslag en kindgebondenbudget). Gemeente in dergelijke situaties verplicht de bijstand af te stemmen op een hoger bedrag, waarbij de gemeente het verschil tussen het inkomen van belanghebbenden en dat van gehuwden met bijstand zonder ander inkomen moet compenseren. Dit door aan belanghebbenden aanvullend algemene bijstand toe te kennen met behulp van art. 18 lid 1 Pw.
CRvB 5 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2355
Een mondelinge huurovereenkomst is niet voldoende om niet als kostendelende medebewoner te worden aangemerkt. Een schriftelijke huurovereenkomst is vereist. Zie artikel 19a Participatiewet. Deze bepaling is dwingendrechtelijk. Daarom kan een besluit hierover niet worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Ook is voor toepassing van de kostendelersnorm niet relevant of de medebewoners kosten feitelijk delen en of elk van hen daadwerkelijk bijdraagt in die kosten. Het gaat erom of de kosten kunnen worden gedeeld.