Voor de persoon die in een inrichting verblijft, gelden andere normen. Deze zogenoemde zak- en kleedgeldnormen zijn opgenomen in art. 23 Pw. De persoon die in een inrichting verblijft krijgt enkel een uitkering voor zak- en kleedgeld, omdat men in een inrichting geen kosten voor voeding, huur, energie, enz. heeft. Voor kosten van het aanhouden van een woning (en overige extra kosten) kan aan een alleenstaande bijzondere bijstand worden toegekend (gemeentelijk beleid).
De normen voor in inrichting verblijvenden bedragen per 1 januari 2024:
excl. vt | incl. vt (5,0%) | |
alleenstaande | € 386,18 | € 406,51 |
alleenstaande ouder | € 386,18 | € 406,51 |
gehuwden | € 600,69 | € 632,31 |
Het normbedrag wordt verhoogd met een bijdrage in de zorgpremie (art. 23 lid 2 Pw). Deze bedraagt vanaf 1 januari 2024 voor een alleenstaande € 42,00 per maand en voor gehuwden € 95,00 per maand.
Als van een echtpaar een van de partners tijdelijk in een inrichting verblijft, bestaat de uitkering die het echtpaar samen krijgt uit de som van de norm van de in de inrichting verblijvende partner, vermeerderd met de norm die voor de andere partner geldt (ze krijgen samen een zogenoemde ‘speciale norm’). Op deze norm worden de inkomsten van beide partners in mindering gebracht. Als de partner definitief in een inrichting verblijft, bestaat er geen recht meer op een gezamenlijke norm, omdat de partners geacht worden duurzaam gescheiden van elkaar te leven. De in de inrichting verblijvende partner en de andere partner hebben beiden een zelfstandig recht op een uitkering. Op hun zelfstandig recht worden alleen hun eigen inkomsten in mindering gebracht.
Voorbeeld
Ans en Henk zijn getrouwd en hebben een Pw-uitkering. Ze hebben geen kinderen. Ans en Henk wonen in een huurhuis, Henk wordt vanaf 1 augustus (tijdelijk) in een inrichting opgenomen. Ans en Henk ontvangen vanaf die datum samen de som van de norm voor een alleenstaande en de norm zak- en kleedgeld. De WIA-uitkering van Henk ad € 800 per maand wordt hierop in mindering gebracht. De toestand van Henk verslechtert en Henk wordt per 1 december definitief opgenomen in de inrichting (vanaf dat moment duurzaam gescheiden levend). Als gevolg hiervan hebben Ans en Henk zelfstandig recht op uitkering. Dit betekent dat Ans de norm voor een alleenstaande blijft behouden en dat Henk geen Pw-uitkering meer zal ontvangen, omdat zijn WIA-uitkering meer bedraagt dan de norm zak- en kleedgeld die op hem van toepassing is. De WIA-uitkering van Henk is vanaf dat moment ook niet meer van invloed op de uitkering van Ans (wel kan van Henk eventueel nog een onderhoudsbijdrage worden gevraagd: zie hoofdstuk 16 Verhaal).
Bij opname in een inrichting moet de norm formeel worden gewijzigd per datum opname. In de uitvoeringspraktijk blijkt dat veel gemeenten uit praktische overwegingen de norm pas wijzigen na één maand verblijf in de inrichting of per de eerste van de volgende maand. Als een persoon met een Pw-uitkering die in een inrichting verblijft de weekenden thuis door mag brengen, kan er een speciale norm worden toegekend (bijvoorbeeld opgebouwd uit 2/7 norm alleenstaande en 5/7 zak- en kleedgeld). Voor de doorbetaling van de vaste lasten (huur, enz.) tijdens het (tijdelijke) verblijf van een alleenstaande in een inrichting is een beroep op bijzondere bijstand mogelijk.
Personen 18 tot 21 jaar in inrichting
Personen van 18 tot 21 jaar die in een inrichting verblijven hebben geen recht op algemene bijstand (art. 13 lid 2 Pw). De reden hiervan is dat personen in een inrichting geen vaste lasten hebben en ook geen kosten voor voeding en dergelijke. Ze hebben enkel een bedrag voor zak- en kleedgeld nodig. Aangezien ouders voor hun kinderen tot 21 jaar onderhoudsplichtig zijn, worden zij geacht in deze kosten te voorzien.
De in een inrichting verblijvende 18- tot 21-jarige kan wel recht hebben op bijzondere bijstand. Dit kan zijn voor specifieke kosten (bijvoorbeeld kosten van bewindvoering), maar ook voor kosten van levensonderhoud op basis van art. 12 Pw.
Voorbeeld
Bridget (19) heeft een Pw-uitkering (met aanvullende bijzondere bijstand) van de gemeente A. Op 1 juni besluit de sociale dienst van de gemeente A. haar uitkering aan te passen, omdat ze in een inrichting verblijft. Recht op een Pw-uitkering voor levensonderhoud heeft ze als negentienjarige nu niet meer. Omdat ze geen beroep kan doen op haar ouders (verblijven beiden sedert twaalf jaar in Pakistan), besluit de gemeente A. aan Bridget bijzondere bijstand toe te kennen voor levensonderhoud (op grond van art. 12 Pw) ter hoogte van de norm zak- en kleedgeld.