De gemeente kan op grond van art. 27 Pw de norm, bedoeld in art. 20 en 21, lager vaststellen voor zover de cliënt door zijn woonsituatie lagere kosten heeft dan waarin de norm voorziet. Te denken valt hierbij aan krakers, cliënten waarvoor een derde (bijvoorbeeld de ex-partner) de woonlasten betaalt en dak- en thuislozen. De gemeente legt dit vast in beleidsregels. Een verlaging vanwege lagere woonlasten op grond van art. 27 Pw is niet mogelijk als de cliënt de kostendelersnorm ontvangt.
Veel gemeenten brengen bij het geheel ontbreken van woonlasten een vast bedrag of een bepaald percentage op de uitkering in mindering. De hoogte van deze woonlastenkorting verschilt per gemeente.
Voorbeeld
Liesbeth (28) woont (alleen) in een kraakpand in de gemeente F. Liesbeth heeft geen woonlasten. Om deze reden wordt conform beleid van de gemeente F. haar uitkering verlaagd met € 200 per maand.