CRvB 13 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA0850
Op grond van art. 48 lid 2 onder b Pw kan het college bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan de totale bijstand die verleend wordt tot het moment waarop belanghebbende een beroep op bijstand zou hebben gedaan als hij niet tekort zou zijn geschoten in zijn besef van verantwoordelijkheid, verstrekken als een lening.
CRvB 11 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1421
Ook als bij aanvang van de uitkering de bijstand als geldlening (met KH) is verstrekt kan na verloop van tijd bij een stijging van de waarde van de woning de bijstand opnieuw als geldlening (met KH) worden verstrekt.
CRvB 18 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2236
De in art. 34 lid 2 onderdeel d WWB geregelde vermogensvrijlating met betrekking tot het vermogen gebonden in de eigen woning is niet van toepassing op een woning in het buitenland, maar slechts op een door een belanghebbende bewoonde woning in de gemeente jegens welk college recht op bijstand bestaat.
CRvB 29 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7542
De WWB/Pw biedt buiten art. 57 onderdeel b geen wettelijke grondslag om de bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen in natura te verlenen door de goederen door een door het college bepaalde leverancier te laten verstrekken. De beleidsregel op grond waarvan het toegekende geldbedrag in alle gevallen rechtstreeks wordt betaald aan de leverancier die een belanghebbende vervolgens voorziet van de toegekende duurzame gebruiksgoederen, is in strijd met de wet.
CRvB 13 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY2969
Het college heeft een geldlening verstrekt op de grond dat sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Het college heeft hierbij beoordelingsvrijheid met betrekking tot de periode waarover met toepassing van art. 48 lid 2 onderdeel b Pw geldlening wordt verstrekt.
CRvB 16 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1056
Het enkele feit dat een belanghebbende slechts voor 50% eigenaar is van een woning doet er niet aan af dat hij moet worden aangemerkt als eigenaar van de woning zoals bedoeld in art. 50 WWB.
CRvB 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5098
Bij de beoordeling of te snel is ingeteerd op het vermogen moet de gemeente beoordelen of de door de aanvrager opgevoerde kosten als verantwoord zijn aan te merken.
CRvB 19 januari 2021, ECLI:NL:CRvB:2021:157
Bij de bepaling van het bedrag van de bijstand in de vorm van een geldlening moet alleen rekening gehouden worden met het vermogen en de schulden die gebonden zijn aan de eigen woning. Er kan daarbij geen rekening worden gehouden met andere schulden.
CRvB 28 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2357
De CRvB zegt dat sprake kan zijn van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als een de aanvrager te snel heeft ingeteerd op zijn vermogen en daardoor eerder een beroep moet doen op bijstand. Daarbij zal moeten worden beoordeeld of bepaalde uitgaven onverantwoord zijn geweest en waarom. Daarbij zal ook moeten worden betrokken of dat in de concrete omstandigheden van de aanvrager tot een voorzienbaar vervroegd beroep op bijstand heeft geleid. Het verstrekken van de bijstand als een geldlening is een discretionaire bevoegdheid. De gemeente moet een belangenafweging maken alvorens hiervan gebruik te maken. Hierbij zal de gemeente moeten beoordelen of de nadelige gevolgen van de bijstandverlening in de vorm van een geldlening voor de aanvrager niet onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die met het besluit worden gediend.