Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

Een lastige wachttijd-code om te kraken: wanneer stop je met zorg?

Als een kind, jongere of gezin in jeugdzorg komt, wil je als jeugdhulporganisatie twee dingen: de hulp moet helpen en de hulp moet na een tijd stoppen. Maar stoppen, blijkt vaak lastig te zijn. Veel gezinnen en jongeren komen niet uit zorg, want wanneer is zorg ‘af’? In regio IJsselland zette een team daar haar tanden in.

Voor Jeugd en Gezin 12 februari 2025

Je ziet dat eindigheid van zorg samenhangt met het idee van eigenaarschap en verantwoordelijkheid, dat maakt het ook zo’n fundamenteel onderwerp.

De groep jongeren die niet uitstroomt, zorgt voor verstopping van het systeem. Op hun plekje kan immers geen nieuw gezin of jongere komen met een hulpvraag. De jeugdzorgregio IJsselland ging daarom met dit vraagstuk aan de slag en publiceerde daarover het rapport ‘Eindigheid van zorg’. Dianne Meijers (at.zorg, aanbieder van ggz-behandelingen in Zwolle), Annemarie van Rhijn (projectleider Regionaal Serviceteam Jeugd IJsselland) en Shirley Fransman (Aanpak Wachttijden) reflecteren op die beweging.

Uít zorg komen kan soms nog lastiger zijn dan ín zorg komen, hoe zit dat?

Dianne: “Als je een hulpvraag binnenkrijgt, zie je al snel ook een nieuwe hulpvraag vanuit het kind of het gezin. En na een tijd nóg een hulpvraag. En daarna nog een. Dat zijn allemaal beslismomenten. Die tweede en derde vraagstukken lijken soms belangrijker dan die eerste vraag. Als jeugdzorgprofessional ben je geneigd alles op te pakken: de eerste, tweede en ook de derde vraag. Dat is logisch, maar ook een enorme valkuil.”

Waarom koos regio IJsselland om eindigheid van zorg aan te pakken?

Annemarie: “Toen we wachttijden in onze regio analyseerden met Aanpak Wachttijden zagen we dat het niet uit zorg komen één van de redenen is waarom de doorstroming stokt en wachttijden aan de onderkant oplopen. Maar we wisten ook: dit is een spannend thema. Je stopt juist niet met het geven van zorg, omdat er nog zorgen zijn over een jongere of een gezin. Of omdat je niet vertrouwt dat je ketenpartners het goed overpakken.

Het is een onwijs lastig vraagstuk waar niemand zijn vingers aan wil branden. Maar als we een betere uitstroom wilden, konden we er niet omheen. Als kerngroep gaven we het toch prioriteit. We gingen daarvoor drie lopende casussen verkennen met álle ketenpartners en ook de mening van de jongeren en ouders gevraagd. Wat hebben we nodig om te kunnen eindigen?”

Wat is een voorbeeld waaruit blijkt dat een gezin niet goed uit zorg kwam?

Dianne: “Een casus die we bijvoorbeeld bespraken, ging over een gezin waarin we qua behandeling klaar waren, maar waarover we veel zorgen hadden. Doorbehandelen was ineffectief. Maar een gezin loslaten, wetend dat de kans groot is dat het niet goed gaat, is te kwetsbaar. Overdragen lukte vaak ook niet. En tja, wat doe je dan? Het antwoord is heel simpel: In overleg met andere organisaties besloten we om bij het gezin betrokken te blijven.”

Shirley: “Onder die reflex zit ook een maatschappelijke en een persoonlijke overtuiging dat alles oplosbaar moet zijn én er een schuldige aangewezen wordt op het moment dat dit niet lukt. Dit legt een druk op professionals en heeft tot gevolg dat ze verantwoordelijkheden overnemen. Maar tot hoe ver wil je gaan? Wanneer is goed, goed genoeg? Als de overtuiging is dat alles oplosbaar moet zijn, ben je in sommige gezinnen nooit klaar.”

In de casusanalyses werden overtuigingen, maar ook de patronen van verantwoordelijkheid nemen en samenwerking blootgelegd – spannend dus?

Annemarie: “Ja, omdat de betrokkenen vooraf dachten: straks gaat het over mij ... Het goede gesprek voeren, lukte omdat er een sfeer van vertrouwen was. Je zag bij alle betrokkenen kwartjes vallen op het niveau van: Hé, waar zijn we mee bezig in dit gezin? Waarom word ik zo meegezogen in hun dynamiek? Waarom leunde ik op dat moment niet op mijn ketenpartners? Alle betrokken met wie we die casussen uitplozen, ervaarden het als confronterend en verhelderend tegelijk.”

Dianne: “Door er samen naar te kijken, zie je helder dat in een gezin soms alles binnen de mogelijkheden is gedaan wat je kan doen, maar dat het resultaat nog niet volledig behaald is. Dan is het de vraag wie van de ketenpartners nu iets kan betekenen voor dit gezin. Zodat er ruimte kan ontstaan om een ander gezin te helpen.”

Shirley: “Je ziet dat eindigheid van zorg samenhangt met het idee van eigenaarschap en verantwoordelijkheid, dat maakt het ook zo’n fundamenteel onderwerp. Binnen de jeugdzorg willen we gezinnen, jongeren en kinderen weer in hun eigen kracht zetten. De hulpverlening moet gericht zijn op hen ondersteunen, zodat ze hun eigen situatie kunnen dragen en er beweging komt in vastgelopen situaties. Het gaat er om dat zij de verantwoordelijkheid dragen voor hun eigen situatie.

Dat vraagt van hulpverleners dat zij niet het probleem overnemen, maar ouders, kinderen en jongeren ondersteunen in het zélf dragen van hun problemen.

In de praktijk zien we echter dat hulpverlening vaak gericht is op het vervullen van de behoeften van ouders of hulpverleners zelf, zoals het willen helpen van de ander of problemen voor de ander oplossen. De keerzijde hiervan is dat er ongelijkwaardigheid en afhankelijkheid ontstaat in de relatie tussen hulpvrager en hulpverlener.

Om dat helder te krijgen, is het nodig om een moedig gesprek te voeren over verantwoordelijkheid tussen professionals onderling en als professional binnen het gezin. Reken maar dat dat lastig is.”

Annemarie: “Het bleek heel helpend om de koppen bij elkaar te steken en het samen te hebben over dat punt dat je geen vooruitgang meer ziet. Wat is dan je volgende stap in samenspraak met je ketenpartners en de jeugdige? Dat je maar tijdelijk met een gezin oploopt, moet vanaf het begin duidelijk zijn voor ouders. Maar om goed uit te voegen als je een gezin overdraagt, moet je ook je partners goed kennen.”

Maar... dat we moeten samenwerken in de keten klinkt logisch, waarom moet daar toch aandacht voor zijn?

Shirley: “Samenwerking klinkt als een open deur. Toch blijkt de praktijk weerbarstiger. De energie van organisaties gaat vooral naar de gezinnen die zij begeleiden, hun teams, kennis en kunde. Er is wel contact tussen professionals onderling en met het gezin. Maar dat is iets anders dan samenwerking.”

Dianne: “Door deze retrospectieve casusanalyses is het zaadje geplant hoe belangrijk die structurele samenwerking is. Ik hoop dat we hieraan met onze jeugdhulpverleners, aanbieders en gemeentes verder handen en voeten kunnen geven, want het zorgt voor betere kwaliteit van zorg en betere doorstroming. Het is om die reden ook een kostenbesparing, al vind ik het belangrijk om het over de inhoud te blijven hebben en het niet zien als een verkapte methode om zorggelden te besparen.”

Annemarie: “Klopt, als je ziet hoe groot het effect was van deze retrospectieve casusanalyses op de jeugdzorgprofessionals en de gezinnen, wil je niets liever dan deze manier van samenwerking voortzetten en deze manier van denken en doen in je werkwijzen sleutelen.”

Shirley: “Echt goed samenwerken, kost planning en tijd en vraagt vertrouwen en oprechte interesse in de ander. Dat ontstaat niet vanzelf en is altijd een beslissing die op alle niveaus moet worden omarmd.”

Shirley Fransman is begeleidingskundige van leersessies Aanpak Wachttijden. Als sessiebegeleider en (team)coach draagt ze bij aan het vergroten van inzichten en het creëren van beweging.

Artikel delen

Reacties

Laat een reactie achter

U moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.