Op 10 juli 2025 werd door 16 partijen in de ouderenzorg het Hoofdlijnen Akkoord Ouderenzorg getekend. Een ambitieus akkoord met daarin zo’n 70 afspraken om de ouderenzorg toegankelijk en toekomstbestendig te krijgen en te houden. Het akkoord is nieuw, maar de boodschap is bekend: ‘zelf als het kan, thuis als het kan, digitaal als het kan’ blijft gehandhaafd. In de praktijk is deze beweging al duidelijk gaande. Er zijn al mooie voorbeelden, maar ook duidelijke kanttekeningen te plaatsen.

Het beleid ‘thuis als het kan’ sluit goed aan bij de wensen van veel ouderen, die graag in hun vertrouwde omgeving blijven en daar actief aan bijdragen. Bovendien past deze trend bij de generatie die nu ouder wordt. Die is meer dan voorgaande generaties gewend om eerst zelf oplossingen te zoeken binnen de eigen leefomgeving en kan vaak redelijk goed overweg met digitale hulpmiddelen. Toch rijst de vraag: wanneer wordt ‘zo lang mogelijk thuis’ eigenlijk ‘te lang thuis’? Niet alleen voor de oudere zelf, maar ook vanuit doelmatigheid. Want hoe wenselijk het ook lijkt, de praktijk laat zien dat zorgsituaties complexer worden, mantelzorgers overbelast raken en het aantal crisisopnames stijgt.
Onderdeel van het HLO is het streven om intramurale plekken toegankelijk te houden voor complexe, specialistische zorgvragen. Hiervoor is het nodig de minder complexe verpleeghuiszorg thuis te leveren. Verschillende partijen vragen zich af of het realistisch en doelmatig is om die zorg te verplaatsen naar de nu al overbelaste wijkverpleging en huisartsen, terwijl sommige verpleeghuizen te maken hebben met lege bedden.
Voor wijkzorg en mantelzorgers ontstaan door personeelstekort en de toenemende complexiteit van de zorgvraag soms situaties waarin het bieden van passende zorg nauwelijks haalbaar is. Zo horen we bij de discussies over het afwegingskader voor intramuraal verblijf Wlz terug dat verpleeghuisopname soms vervroegd wordt doordat er onvoldoende thuiszorgmedewerkers beschikbaar zijn.
Respijtzorg en logeerzorg, bedoeld om mantelzorgers tijdelijk te ontlasten, blijken vaak schaars of moeilijk toegankelijk, waardoor de belasting verder stijgt. Als gevolg ontstaan er onhoudbare situaties waarbij de inzet van kostbare acute interventies noodzakelijk is. Daarbij vergt zorg aan huis doorgaans meer inzet van personeel dan intramurale zorg: ouderen hebben immers nog steeds ondersteuning nodig, maar verspreid over vele adressen. De stelling dat langer thuis wonen vanzelf goedkoper en efficiënter is, blijkt in de praktijk dan ook niet altijd houdbaar.
Tegelijk zien we veelbelovende initiatieven zoals wijkcentra waar oncologische behandeling wordt geboden, of VanThuisUit waarbij mensen met dementie vanuit het reablement gedachtegoed ondersteund worden bij het herwinnen van zelfstandigheid. Hoewel veelbelovend voor de ontwikkeling ‘thuis als het kan’, is de bekostiging doorgaans nog onvoldoende ingericht op deze complexere vormen van zorg thuis. Dit bleek bijvoorbeeld uit ons onderzoek naar het verplaatsen van oncologische zorg naar de thuissituatie, en ook bij de begeleiding van een generieke kwaliteitsbeschrijving voor de zvw-betaaltitel Geneeskundige Zorg voor Specifieke Patiëntgroepen (GZSP) blijkt het niet gemakkelijk om tot financiële afspraken te komen waarin alle partijen zich kunnen vinden.
De beweging die het HLO wil ondersteunen, is dus in de praktijk al volop aan de gang. Deze beweging wordt door sommigen ook gelinkt aan de recente teruglopende cijfers over verpleeghuisopnames en Wlz-indicaties. Om het vliegwiel echt flink aan het draaien te krijgen én te houden, moeten de randvoorwaarden aanwezig zijn om de schouders te ondersteunen, die de transformatie moeten dragen. Dat betekent dat er bijvoorbeeld aanpassingen nodig zijn aan de bekostiging, die nu het overdragen van zorg naar buiten de instellingsmuren veelal nog belemmerd. Ook zullen mantelzorgers intensiever moeten worden ondersteund, bijvoorbeeld door respijt- en logeerzorg toegankelijker te maken. Daarin kan het HLO, dat door zowel stakeholders uit de praktijk als uit beleid en financiering is ondertekend, bij helpen.
Het streven om ouderen langer thuis te laten wonen vraagt dus om een kritische overweging van de balans tussen wenselijkheid en haalbaarheid. Hoe vinden we een evenwicht tussen de wensen van ouderen, kwaliteit van leven, doelmatigheid en betaalbaarheid? Het antwoord zit misschien niet in ‘zo lang mogelijk thuis’, maar in ‘zo goed mogelijk thuis’, met oog voor grenzen, kwaliteit van leven en zorg, en bovenal realistische verwachtingen. Een verpleeghuis hoeft daarbij niet het laatste redmiddel te zijn, maar kan in sommige situaties juist een logische, waardevolle en soms noodzakelijke stap zijn. Voor wie dat geldt, wordt in opdracht van het Zorginstituut nu verder uitgewerkt.
