De afstemming tussen Rijk en gemeenten op het gebied van opvang en participatie kan een stuk beter. Toch hebben gemeenten veel mogelijkheden in handen om de situatie te verbeteren, waarbij vroege participatie van nieuwkomers een belangrijke sleutel is. Dat blijkt uit een rondetafelgesprek, georganiseerd door Berenschot in samenwerking met PONT | Zorg en sociaal. “Laat de nieuwkomer centraal staan en niet de processen!”

In het online rondetafelgesprek gingen een aantal deskundigen met elkaar in gesprek over de huidige problematiek rond opvang en participatie van statushouders en asielzoekers. Hierbij lag de focus vooral op kansen voor de gemeente. De leiding van het gesprek was in handen van Julia van Neerrijnen, consultant sociaal domein bij Berenschot.
“Belangrijk om te onthouden is dat de uitdagingen bij onszelf liggen, niet bij de nieuwkomers,” aldus Hedda van Heijzen, projectleider Buitenkwartier bij de gemeente Hardenberg. Zij benadrukt dat de wil er bij veel gemeenten wel degelijk is, maar dat zij tegen juridische obstakels aanlopen, in combinatie met het ontbreken van wettelijke taken voor de gemeente. Gemeenten hebben in de praktijk een uitvoerende rol, maar zijn afhankelijk van landelijke wet- en regelgeving. Tegelijkertijd ervaren zij ruimtegebrek om te doen wat lokaal nodig is.
Een andere complicatie is dat de positieve effecten van beleid rond opvang en participatie pas vaak op de lange termijn te zien zijn. Daar moet bij het stellen van doelen rekening mee worden gehouden. Het is een investering, maar eentje die zich wel degelijk uitbetaalt.
Volgens Babet van den Broek, afdelingshoofd migratie en inburgering in Eindhoven, zit de uitdaging vooral in de vertaalslag van beleid naar praktijk. “We hebben vaak dezelfde denkrichting, maar de vraag is: hoe passen we dat in binnen wetgeving die voortdurend verandert?”
Die spanning uit zich concreet in belemmeringen rond gegevensdeling, werktoegang en inburgering. Van Heijzen noemt het voorbeeld van het ontbreken van BSN-nummers en werkvergunningen, waardoor participatie vertraagt. Tegelijkertijd blijkt dat pragmatische samenwerking – bijvoorbeeld met het UWV en lokale partners – wél verschil kan maken.
Ondanks de complexiteit zijn er lokale initiatieven en praktijkervaringen die laten zien dat er wel degelijk veel bereikt kan worden in het opvangen en laten participeren van vluchtelingen. Een rode draad in het rondetafelgesprek is het belang van vroege participatie: begin zo snel mogelijk met taal, werk en integratie, liefst al tijdens de asielprocedure. Laura Faber, projectleider in Hengelo, is daar stellig over: “Het is eigenlijk heel gek dat we pas beginnen met de taal leren als iemand een woning krijgt.”
De gemeente Hengelo start daarom met intensieve taaltrajecten vanaf dag één, met als doel dat asielzoekers al vóór statusverlening op niveau kunnen meedoen. In eerdere projecten leidde dat tot succesvolle plaatsingen op werk ‘op niveau’, passend bij opleiding en ervaring.
Ook in Eindhoven wordt ingezet op vroege arbeidsparticipatie. Van den Broek: “Van een groep van 200 mensen zijn er 158 aan het werk gegaan en nog steeds aan het werk.” De effecten zijn zichtbaar: meer motivatie, snellere integratie en minder afhankelijkheid van ondersteuning.
Daarnaast toont de pilot Buitenkwartier in Hardenberg ook aan dat participeren, of dat nou via taal, werk of sport gebeurt, veel bijdraagt. Het geeft de asielzoekers voldoening, maar is zeker ook voor de gemeente een waardevolle toevoeging. Zo heeft Berenschot recentelijk kwantitatief onderzocht dat de pilot een netto positief maatschappelijk saldo heeft van ruim € 277.000 (€ 5.331 per deelnemer van de pilot).
Tijdens het rondetafelgesprek kwam een groot aantal praktische handvatten voor de gemeentelijke praktijk aan bod. Meer weten over de mogelijkheden en kansen die je als gemeente hebt? Op donderdag 28 mei van 11.00-12.15 uur heb je opnieuw de kans om het rondetafelgesprek te bekijken én je vragen te stellen aan sprekers en experts. Meld je hier gratis aan om deel te nemen!
