Als een ouder ernstige psychische problemen heeft, moet óók het kind intensief begeleid worden, vindt Jozef Overeem. Dat dit te weinig gebeurt maakte hij zelf mee als kind. Nu hij zelf in het sociale domein werkt, pleit hij voor een structureel andere aanpak.

Wat mij tot op de dag van vandaag bevreemdt, is het ontbreken van begeleiding die ik als kind van een kwetsbare ouder met ernstige psychische problemen heb ontvangen.
In Nederland groeien naar schatting 900.000 kinderen op bij een ouder met psychische en/of verslavingsproblematiek. In een gemiddelde klas van 28 leerlingen gaat het om ongeveer zeven kinderen. Van deze groep ontwikkelt twee derde later zelf psychische problemen, zoals depressies of angst- en paniekstoornissen. Dit blijkt onder meer uit de NEMESIS-3-studie (Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study), een grootschalig longitudinaal onderzoek naar de psychische gezondheid van volwassenen in Nederland, uitgevoerd door onder andere het Trimbos-instituut.
Goede bedoelingen, een blinde vlek
Mijn moeder had ernstige psychische problemen en bevond zich in een web van hulpverlening. Regelmatig kwamen professionals over de vloer: van Kwintes en Stichting MEE tot het RIAGG en Jeugdzorg. De focus van deze ondersteuning lag vrijwel volledig op haar.
Dat is begrijpelijk. Mijn moeder had hulp nodig op meerdere leefgebieden: psychisch, praktisch en huishoudelijk. De gedachte was dat het ontlasten van haar automatisch een positief effect zou hebben op de kinderen. En dat klopt gedeeltelijk.
Maar hiermee bleef een cruciale vraag onbeantwoord: waar was de begeleiding voor mij en mijn broertje?
Vanaf mijn twaalfde begon ik vast te lopen. Eerst op school, later in relaties en op mijn werk. Alles hield ik maar even vol. Steeds dacht ik: ‘het ligt aan mij’, ‘ik kan het niet’, ‘ik ben zwak’, ‘ik ben net als mijn moeder’. Wat zich ontwikkelde was diepe zelfafwijzing. Ik kreeg depressies, suïcidale gedachten en ontwikkelde zelfdestructief gedrag.
Wat ik pas veel later begreep, is dat dit geen individueel falen was. Onderzoek naar ontwikkelingstrauma laat zien dat kinderen die langdurig opgroeien in emotioneel onveilige en onvoorspelbare omstandigheden een verhoogd risico lopen op psychische problematiek. De NEMESIS-3-studie bevestigt dat volwassenen die als kind zijn opgegroeid bij een ouder met ernstige psychische problemen twee tot drie keer vaker kampen met depressies, angststoornissen en stressgerelateerde klachten.
Belangrijk is dat dit verhoogde risico niet uitsluitend genetisch is. Chronische stress, parentificatie en het ontbreken van een stabiele en emotioneel beschikbare volwassene spelen een doorslaggevende rol.
Dat vroege, relationele interventies daadwerkelijk verschil maken, blijkt onder meer uit het Nurse-Family Partnership (NFP)-model. Dit internationaal erkende en wetenschappelijk onderbouwde programma biedt langdurige begeleiding door gespecialiseerde verpleegkundigen aan jonge, kwetsbare (aanstaande) moeders, vanaf de zwangerschap tot het tweede levensjaar van het kind.
Langlopende evaluaties tonen aan dat NFP leidt tot betere ouder-kindrelaties, minder kindermishandeling, betere cognitieve en emotionele ontwikkeling van kinderen en op de lange termijn zelfs minder psychische problemen en minder contact met justitie. Cruciaal hierbij is niet alleen wát wordt aangeboden, maar hóe: door een vaste, betrouwbare professional, die langdurig betrokken is en het gezin systematisch ondersteunt.
In mijn huidige werk als klantregisseur bij de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug zie ik dat deze preventieve benadering nog onvoldoende is verankerd in het sociaal domein. Ouders kunnen ondersteuning krijgen via de sociale teams en het Centrum voor Jeugd en Gezin, maar er is nog onvoldoende focus op intensieve begeleiding van het kind.
Zodra hulpverleners de deur achter zich sluiten, blijven kinderen achter in dezelfde kwetsbare context. Zonder uitleg, zonder begeleiding en zonder begrip voor wat zij meemaken. Kinderen hebben de neiging negatieve ervaringen op zichzelf te betrekken. Ontwikkelingspsycholoog Steven Pont beschrijft in mijn boek ‘Was je maar nooit geboren’ hoe dit leidt tot schuld, schaamte en zelfafwijzing.
Wat naar mijn overtuiging ontbreekt, is intensieve begeleiding voor kinderen zelf. Allereerst in de vorm van psycho-educatie. Kinderen moeten begrijpen wat er met hun ouder aan de hand is. Dat het om een ziekte gaat. Dat het niet hun schuld is.
Deze kennis alleen al kan enorme schade voorkomen. Het biedt context, ontlast het kind en doorbreekt het hardnekkige idee: er is iets mis met mij.
Daarnaast pleit ik voor een leerlijn ‘mentaal welzijn’, specifiek voor kinderen in kwetsbare situaties en bij voorkeur voor alle kinderen. Leren omgaan met stress, emoties en tegenslag is geen luxe, maar een basisvaardigheid. Toch leren veel kinderen dit thuis nauwelijks.
Door kinderen al jong tools aan te reiken zoals ademhalingsoefeningen, mindfulness en emotieregulatie kunnen we hun veerkracht versterken en toekomstige psychische problemen mogelijk voorkomen. Wat mij betreft introduceert de overheid deze leerlijn morgen nog in het basis- en voortgezet onderwijs.
Initiatieven zoals die van Stichting Petje Af laten zien hoe waardevol dit is. Maar deze aanpak zou geen uitzondering moeten zijn, maar structureel beleid.
Tot slot pleit ik voor coaches voor kinderen uit kwetsbare gezinnen vergelijkbaar met de vaste professional binnen NFP. Eén betrouwbare volwassene die langdurig betrokken is, het kind ziet en begeleidt. Iemand die perspectief biedt, talenten helpt ontdekken en het kind even uit de overlevingsstand haalt.
De jeugd is de toekomst, zeggen we vaak. Laten we die uitspraak serieus nemen. Door niet alleen ouders te ondersteunen, maar kinderen werkelijk te zien en te begeleiden. Zoals mijn oma altijd zei: voorkomen is beter dan genezen.
