Het (demissionair) kabinet heeft een ambitieuze doelstelling voor wat betreft het naar beneden brengen van schuldenproblematiek. Door het verbeteren van hulp aan mensen wordt een halvering van problematische schulden beoogd in 2030 ten opzichte van 2015. Om deze doelstelling te bereiken, wordt op verschillende manieren gewerkt aan het verbeteren van de schuldhulpverlening. Zo ligt er een nieuw plan ‘Elementen van Basisdienstverlening’ om de gemeentelijke schuldhulpverlening te verbeteren. Het plan is voortgekomen uit de constatering van onder meer de Ombudsman en de Commissie sociaal minimum dat de kwaliteit van de geboden hulp sterk van verschillen per gemeente. Het plan, dat is opgesteld door het kabinet, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), de branchevereniging voor financiele hulpverleners NVVK en de vereniging van leidinggevenden in het sociaal domein Divosa, moet gemeenten praktische richtlijnen en handvatten bieden om effectieve en toegankelijke hulp te bieden aan mensen met problematische schulden. Elementen waar aan gewerkt wordt zijn bijvoorbeeld een betere samenwerking tussen hulpverleners via een registratiesysteem, het standaard aanbieden van een saneringskrediet met aflostermijn van 18 maanden en het bieden van nazorg.
Om de grote ambities voor het naar beneden brengen van de schuldenproblematiek te kunnen waarmaken, is het belangrijk dat de noodzakelijke veranderingen een stevig kennisfundament hebben. Dit is een voorwaarde om met de aanpassingen ook echt bij te kunnen dragen aan het bereiken van de doelen. Er zijn verschillende onderdelen waarop deze kennis nu nog ontoereikend is.
Als eerste punt gaat het hierbij om het begrip dat beleidsmakers hebben van groepen in de samenleving die kampen met schulden of daar kwetsbaar voor zijn. We weten dat een aanzienlijk deel van de mensen niet bereikt wordt met de schuldhulpverlening. De groep mensen die zich niet meldt, maar waarbij wel schuldproblematiek speelt is nog niet goed in beeld. Ook ontbreekt er een goed en volledig beeld van welke groepen in de samenleving een vergrote kwetsbaarheid hebben om in de schulden te belanden. Ook staat de leefwereld van minder bevoorrechte groepen nu vaak nog ver af van de systeemwereld waarin nieuw beleid wordt gemaakt. Dit wordt duidelijk beschreven in de boeken ‘Misschien moet je iets lager mikken’ van Milo van de Kamp en ‘Beledigende Broccoli’ van Tim ’S Jongers. Deze auteurs noemen terecht, ook vanuit hun eigen ervaring, dat zich een grote kloof bevindt tussen de goede bedoelingen en de uitwerking van sociaal beleid. De illustratie van ’S Jongers over de preventiewerkers die uitleggen aan kinderen dat ze broccoli zouden moeten eten voor hun gezondheid, terwijl de realiteit is dat veel van deze kinderen zonder ontbijt op school komen, is daar heel treffend voor. Ook betogen deze auteurs dat het niet toereikend is om te vragen van mensen in minder bevoorrechte posities om de sprong te nemen om deze kloof te overbruggen, en zich dus aan te passen aan de beleidsrealiteit, maar dat hier vooral werk aan de winkel is van beleidsmakers die zich aan de begunstigde kant bevinden. In het uitwerken, bijstellen en toetsing van de verschillende maatregelen om schuldenproblematiek terug te dringen is het daarom ook noodzakelijk dat dit wordt ingezet vanuit het perspectief van de mensen met schuldenproblematiek. Alleen dan zullen de maatregelen ook echt effect kunnen sorteren.
Een ander aspect van het kennisfundament waar nog een hoop op te verbeteren is betreft goed zicht op wat echt werkt met betrekking tot de verschillende onderdelen van de schuldhulpverlening. Als voorbeeld hiervan geldt bijvoorbeeld de inzet van nazorg. Dit is een van de elementen van het nieuwe plan ‘Elementen van Basisdienstverlening’. Het valt goed te onderbouwen waarom nazorg belangrijk is. Het zou kunnen bijdragen aan het voorkomen van terugval in de schuldenproblematiek. Maar echt weten wat in de nazorg werkt (en wat juist niet) doen we niet. Net zo min als dat we echt bewijskracht hebben dat nazorg effect heeft op terugval in de schuldenproblematiek. Ten aanzien van de schuldhulpverlening ontbreekt het nog veelal aan goed effectonderzoek dat gebruikt kan worden als onderbouwing voor de inzet van veranderingen in de dienstverlening. Er zijn wel mooie voorbeelden in het land waar hard gewerkt wordt aan een beter zicht op effecten. Als voorbeeld geldt het onderzoek van de Hogeschool van Amsterdam naar het initiatief ‘Gewoon geld geven’. Hierin worden de effecten onderzocht van extra financiële armslag op het welzijn van gezinnen in armoede. Ook zijn er op verschillende plekken in het land experimenten bezig gericht op de effecten van termijnen van schuldsanering. Dit soort onderzoek is ook nodig om goed zicht te krijgen op de werkzame mechanismen onderliggend aan effectieve hulp. En gezien de grote opgaven die er op het terrein van de schuldhulpverlening leven is dit zicht ook broodnodig.