De afgelopen jaren heeft Nederland stappen gezet in het versterken van het sociaal minimum. Het Nibud mocht daarin een rol spelen, met de herijking van het bestaansminimum en de nieuwe minimumvoorbeeldbegrotingen die in het politieke en publieke debat regelmatig worden gebruikt. Dat is winst: de waarde van een stevig fundament voor bestaanszekerheid wordt inmiddels breed onderschreven. Aan de vooravond van de gemeenteraadsverkiezingen is duidelijk dat aandacht voor dit fundament ook in de komende raadsperiode noodzakelijk is.

De lokale verkiezingen vinden plaats tegen de achtergrond van een woelige wereld. De stijging van de diesel- en benzineprijzen tot recordhoogten liet vorige week zien hoe snel die wereld impact heeft op ieders inkomsten en uitgaven. Dat zagen we ook in het begin van de oorlog in Oekraïne.
Uiteraard is de impact hier onvergelijkbaar met de situaties ter plekke, maar voor huishoudens die financieel niet veel kunnen hebben, kunnen de gevolgen ingrijpend zijn. Het Nibud voorzag in januari al een heel beperkte koopkrachtstijging voor 2026, waardoor mensen sowieso weinig ruimte hebben om tegenslagen op te vangen.
Tegen deze achtergrond is het belangrijk om ons te realiseren dat het sociaal minimum kwetsbaar is. De Commissie sociaal minimum adviseerde in 2023 om niet alleen de bijstand en het minimumloon structureel te verhogen, maar huishoudens ook de ruimte te geven om schokken te kunnen opvangen.
Het sociaal minimum kent nog steeds weinig marge.Mattias Gijsbertsen, directeur-bestuurder Nibud
Een zogenaamd flexbudget van 3 tot 9 procent zou volgens de commissie acute tekorten bij onverwachte omstandigheden kunnen voorkomen. Hoewel het minimumloon en de bijstand destijds zijn verhoogd, is het niveau dat de commissie adviseerde nog niet bereikt.
Dit betekent dat het sociaal minimum nog steeds weinig marge kent en dat schommelingen in de noodzakelijke uitgaven makkelijk leiden tot problemen. Die landen in de eerste plaats bij mensen zelf en als zij vastlopen, vaak bij de gemeente, tenzij het Rijk een bijzondere regeling treft. Voor gemeenten betekent dit dat alertheid in hun minimabeleid geboden is, ook in de komende raadsperiode.
Het sociaal minimum is ook zonder externe schokken alleen voldoende als in drie dingen is voorzien. Allereerst: krijgen waar je recht op hebt. Niet‑gebruik van landelijke toeslagen en lokale regelingen is een hardnekkig probleem. Zeker werkenden, zzp’ers en mensen die moeite hebben met taal en digitale vaardigheden lopen soms financiële ondersteuning mis.
Daarnaast vraagt een inkomen op het minimum om buitengewoon bewuste financiële keuzes. Kijken naar persoonlijke omstandigheden is daarom belangrijk. Multiproblematiek, laaggeletterdheid en/of LVB-problematiek, stress en/of schaamte vragen om een andere benadering: aandacht, ruimte en continuïteit.
Ten derde is het sociaal minimum niet bestand tegen alle bijzondere situaties. We hebben niet alles in de hand. Energie- en zorgkosten zijn niet volledig beïnvloedbaar. En wie te maken krijgt met baanverlies, ziekte, scheiding of overlijden, ziet in korte tijd enorme financiële veranderingen. Juist op die momenten kunnen mensen in financiële problemen komen.
Onverwachte ontwikkelingen in de buitenwereld en ontbrekende voorwaarden onder het sociaal minimum kunnen ertoe leiden dat er een groot verschil bestaat tussen de papieren werkelijkheid en de praktijk.
Gedetailleerd inzicht in wat er gebeurt in de portemonnee van huishoudens helpt om overheidsbeleid zo goed mogelijk te laten aansluiten op de échte leefwereld van mensen. Inzet op lokaal niveau om het fundament onder het sociaal minimum te borgen, is daarbij nodig.
Een adequaat sociaal minimum op papier is niet automatisch een adequaat sociaal minimum in de praktijk.Mattias Gijsbertsen, directeur-bestuurder Nibud
Ik zie dat gemeenten op dit gebied op een kruispunt staan. Er zijn inspirerende voorbeelden van vooruitstrevende aanpakken, maar ook plekken waar een stapeling van pilots, tijdelijke pleisters en losse maatregelen te vinden is. Veel inwoners vinden landelijk en lokaal moeilijk de weg in alle regelingen. Ik weet hoe hard gemeenten al werken om inwoners te ondersteunen. Een volgende stap is wel om structureel anders te gaan werken.
In de zoektocht naar een wezenlijk andere werkwijze gaat Wageningen bijvoorbeeld in gesprek met mensen die van het minimum afhankelijk zijn. Ze praten gezamenlijk over welke uitgaven écht nodig zijn – en daarop wordt de inkomensondersteuning aangepast. Het is te prijzen als gemeenten lef tonen om tot vernieuwingen te komen die kunnen leiden tot passende ondersteuning voor meer inwoners. De VNG pleitte vorige week in een ledenbrief voor proactieve dienstverlening; dat is bemoedigend.
Het moge duidelijk zijn: een adequaat sociaal minimum op papier is niet automatisch een adequaat sociaal minimum in de praktijk. En de onzekerheid in de wereld kan het sociaal minimum plotseling onder druk zetten.
Om dichter bij een Nederland zonder geldproblemen te komen, is het noodzakelijk om de grote diversiteit aan huishoudens in Nederland te bieden wat ze écht nodig hebben. Juist in de slag van papier naar praktijk maken gemeenten verschil voor hun inwoners, en dat zal de komende jaren opnieuw hard nodig zijn.
