Menu

Zoek op
rubriek
Zorg&Sociaalweb
0

Uitvoering Wmo: wat gaat er mis?

Met grote regelmaat krijg ik beslissingen onder ogen waaruit blijkt dat veel gemeenten niet de werkwijze zoals die in de Wmo is neergelegd toepassen. In dit artikel licht ik drie veelvoorkomende manco’s uit.

24 augustus 2022

Bron: SVB

Allereerst wordt na de melding met een hinkstapsprong meteen beoordeeld of er een maatwerkvoorziening kan worden toegekend. Dat is stap vier in het bekende stappenplan (ECLI:NL:CRVB:2018:819). De drie voorgaande stappen worden dan gemakshalve of uit onwetendheid overgeslagen.

Het tweede manco is dat wanneer de cliënt laat weten een persoonsgebonden budget (pgb) te wensen, alleen beoordeeld wordt of dat mogelijk is. Bijvoorbeeld door te kijken of iemand pgb-vaardig is. Er wordt vervolgens helemaal niets meer gezegd over de aard en omvang van de maatwerkvoorziening als zodanig.

In het verlengde hiervan is er regelmatig het gemis in de benodigde deskundigheid. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in de hierboven genoemde uitspraak geoordeeld dat de deskundigheid kenbaar en inzichtelijk moet zijn, zeker waar die deskundigheid vereist is. Gemeenten laten Wmo-consulenten die onvoldoende of zelfs geen kennis hebben van heel specifieke problematiek toch onderzoek uitvoeren. Dat leidt haast per definitie tot onzorgvuldige conclusies.

Tot slot zie ik nog veel beslissingen waarin de omvang in uren niet is opgenomen en wat wel is toegekend in vage bewoordingen is gesteld. Dat leidt tot rechtszaken die gemakkelijk hadden kunnen voorkomen.

Een recente, nog niet gepubliceerde uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (AMS 21/15065) kan als voorbeeld worden gebruikt. Daarin was in het gegeven advies de beoordeling van de aard van de ondersteuning verweven met de beoordeling welke leveringsvorm – zorg in natura (ZiN) of pgb – geschikt is. Het gaat echter om twee verschillende stappen in het stappenplan, in dit geval stap drie en stap vier. In de derde stap van het stappenplan moet de aard en omvang van de ondersteuningsbehoefte die nodig is in kaart worden gebracht. In de vierde stap wordt bezien of er mogelijkheden zijn van eigen kracht of hulp vanuit het sociaal netwerk. En pas daarna wordt bekeken welke leveringsvorm (ZiN of pgb) passend is.

De gemeente had in deze zaak onder meer het pgb geweigerd, omdat er geen vooruitgang was geboekt door de met het pgb ingekochte begeleider. De wet benoemt inderdaad dat zelfredzaamheid, participatie en zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen moeten worden bevorderd. Maar uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat er per se sprake moet zijn van verbetering. Voorkomen van erger valt evengoed onder de doelstelling van de wet.

Het toekennen van een pgb werd door de gemeente geweigerd omdat de hulpverlener de cliënt ook ondersteunde bij het budgetbeheer. Dat zou niet mogen, zo stelt de gemeente. Maar ook dit houdt geen stand. Niet alleen omdat dit soort ondersteuning juist valt onder het bevorderen van de zelfredzaamheid, maar ook omdat de rechtbank wijst op de ‘nevenschikking’ van ZiN en pgb. Zorg in natura is op zich het uitgangspunt (TK 33 841, nr.3. p. 152), maar wie hulp nodig heeft moet zoveel mogelijk de ruimte krijgen om die zorg naar eigen wens in te vullen. Om die keuzevrijheid te waarborgen, is een gelijkwaardige toegang tot het pgb en de ZiN belangrijk. Het zijn immers gelijkwaardige alternatieven. Het is aan de cliënt om te bepalen of hij/zij al dan niet gebruik wil maken van het pgb (TK 33 841, nr. 103).

Afsluitend. Het is toch eigenlijk wel treurigstemmend dat sommige gemeenten na al die jaren nog steeds niet de aard en omvang van de Wmo-ondersteuning op de juiste wijze bepalen en geen oog hebben voor twee los van elkaar staande vragen: welke maatwerkvoorziening en welke realisatievorm.

Reacties

Laat een reactie achter

U moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.